Logo
  • Opinie
  • 9 november 2021

De werking van de redelijkheid en billijkheid bij een exoneratiebeding

Bij het reguleren van aansprakelijkheidsposities in overeenkomsten maken partijen vaak gebruik van exoneratiebedingen. Een exoneratiebeding is een beding op grond waarvan een wettelijke plicht tot vergoeding van schade als gevolg van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad, wordt uitgesloten of beperkt. Exoneratiebedingen strekken zich doorgaans (slechts) uit tot een beperking van de schadeplichtigheid. Exoneratiebedingen bieden echter niet altijd bescherming.

Een exoneratiebeding is niet van toepassing als het beding op grond van art. 6:248 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Bij de beoordeling of een tussen partijen overeengekomen exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zijn volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad alle omstandigheden van het geval van belang en is terughoudendheid op zijn plaats. Recent heeft de Hoge Raad weer een arrest gewezen over de werking van de redelijkheid en billijkheid bij een beroep op een exoneratiebeding.

De feiten en het geschil

De relevante feiten in deze kwestie zijn de navolgende. Een franchisenemer en een franchisegever werden geconfronteerd met asbest in het winkelpand, dat de franchisenemer van de franchisegever/verhuurder had gehuurd. Op basis van een franchiseovereenkomst exploiteerde de franchisenemer een Bakker Bart in het winkelpand. Vanwege de acute gezondheidsrisico’s moest de winkel tot nader order worden gesloten. De franchisenemer/huurder stelde een vordering tegen de franchisegever/verhuurder in tot vergoeding van de schade die door het gebrek aan het gehuurde (asbest) is ontstaan, namelijk gemiste omzet door de gedwongen sluiting van de winkel. De franchisegever/verhuurder beriep zich op het exoneratiebeding in de huurovereenkomst waarin staat dat verhuurder niet aansprakelijk is voor de gevolgen van gebreken die hij bij het aangaan van de huurovereenkomst niet kende of behoorde te kennen en dat de verhuurder niet aansprakelijk is voor bedrijfsschade van de huurder. Volgens de huurder was een beroep op het exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

De procedure

In eerste aanleg oordeelde de kantonrechter dat er sprake is van een gebrek in het gehuurde in de zin van art. 7:204 lid 2 BW en dat de verhuurder op grond van art. 7:208 BW schadeplichtig is jegens de huurder. Het beroep op het exoneratiebeding werd door de kantonrechter van tafel geveegd. Het gerechtshof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en acht het beroep van de verhuurder op het exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ook onaanvaardbaar. Hierbij acht het gerechtshof het van belang dat de tekortkoming van de verhuurder de kern van de prestatie vormt, nu de verhuurder het gehuurde door het gebrek (asbest) niet ter beschikking kan stellen en dat door die tekortkoming de tussen partijen gesloten huurovereenkomst – en dus ook de franchiseovereenkomst – geen enkele betekenis meer heeft. De verhuurder laat het er niet bij zitten en gaat in cassatie. De verhuurder is namelijk van mening dat de enkele omstandigheid dat de exoneratie ziet op een tekortkoming in de kern van de prestatie, niet kan leiden tot het oordeel dat het beroep op het exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De verhuurder krijgt gehoor bij de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelt dat het gerechtshof met zijn oordeel dat het beroep van de verhuurder op het exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, de terughoudendheid heeft miskend waarmee de maatstaf van artikel 6:248 lid 2 BW moet worden toegepast. De door het gerechtshof genoemde omstandigheden dat de tekortkoming de kern van de prestatie betreft en dat zonder terbeschikkingstelling van het gehuurde niet alleen aan de huurovereenkomst, maar ook aan de franchiseovereenkomst elke betekenis komt te ontvallen, maken onvoldoende duidelijk waarom het beroep op het exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, aldus de Hoge Raad. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof met de opdracht om een nieuwe beoordeling uit te voeren met inachtneming van alle omstandigheden. Deze vernietiging betekent niet automatisch dat de verhuurder in het gelijk wordt gesteld, maar wel dat het gerechtshof het werk opnieuw moet doen. Mogelijk met een andere uitkomst dan de vorige keer.

Conclusie

Het belang van dit arrest lijkt vooral te zijn dat de Hoge Raad nog eens benadrukt dat de feitenrechter terughoudend moet zijn bij een beroep op de redelijkheid en billijkheid. Het feit dat de tekortkoming op de kern van de prestatie ziet, is niet zonder meer voldoende voor het oordeel dat het beroep op een exoneratiebeding ten aanzien van de schade die het gevolg is van die tekortkoming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De Hoge Raad maakt in dit arrest (wederom) duidelijk dat bij de beoordeling of een beroep op een exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, alle omstandigheden van het geval van belang zijn.

Producttips

Volg F-Facts

Word gratis lid en ontvang op dinsdag en donderdag het laatste facility nieuws in uw mailbox! Én als lid krijgt u ook toegang tot exclusieve online artikelen.

Word lid van F-Facts Facility Platform