Logo
  • Achtergrond
  • 4 november 2002
  • Egbert 't Hooft

Realiseren en handhaven kwaliteit binnenmilieu

Gebouwen en hun installaties worden ontworpen om de mens veilig, gezond en comfortabel te laten werken. Om dat te bereiken, dient een Programma van Eisen te worden opgesteld waarin naast de kwantitatieve ook kwalitatieve eisen worden opgenomen. Deze prestatie-eisen dienen als basis voor het bouwkundige en het installatietechnische ontwerp. Het realiseren en handhaven van een gewenste binnenmilieukwaliteit is een wezenlijk onderdeel in het proces van ontwerpen, onderhouden en beheren van gebouwen en klimaatinstallaties.

Gebouwen en hun installaties worden ontworpen om de mens veilig, gezond en comfortabel te laten werken. Om dat te bereiken moet aan een groot aantal eisen worden voldaan. Als eerste dient een Programma van Eisen te worden opgesteld waarin naast de kwantitatieve ook kwalitatieve eisen worden opgenomen. Deze prestatie-eisen dienen als basis voor het bouwkundige en het installatietechnische ontwerp.

Het realiseren en handhaven van een wenselijke binnenmilieukwaliteit is een wezenlijk onderdeel in het proces van ontwerpen, onderhouden en beheren van gebouwen en klimaatinstallaties. Het eerste deel binnen dit tweeluik omvatte de relevante ontwerpcriteria en eisen met betrekking tot het thermisch binnenklimat en de binnenluchtkwaliteit. Het akoestisch binnenklimaat, ventilatiesystemen en comfortklassen en een conclusie en aanbevelingen leest u in dit slot.

Akoestisch binnenklimaat

Wettelijke eisen

Bouwbesluit

Niet tot bewoning bestemde gebouwen

  • Maximum geluiddrukniveau t.g.v. de installaties (art. 195):
    * t.a.v. eigen gebouw: geen eisen
    * t.a.v. niet tot het gebouw behorend verblijfsgebied: 30 dB(A).
  • Maximum geluiddrukniveau t.g.v. geluid van buiten (art. 241)
    * verblijfsgebied kantoren: 40 dB(A)

De laatstgenoemde eis is van belang indien op natuurlijke wijze wordt geventileerd. Ook bij geopende ventilatievoorzieningen dient hieraan te worden voldaan.

Wet milieubeheer

Niet tot bewoning bestemde gebouwen

  • Maximum geluiddrukniveau t.g.v. de installaties:
    * t.a.v. eigen gebouw: geen eisen.

Arbowet

In het kader van de Arbowet zijn ten aanzien van het maximum geluiddrukniveau t.g.v. de installaties van toepassing:

  • Arbobesluit (art. 6.8 en 6.9)
    Alleen eisen ter voorkoming van schadelijk geluid.
  • Arboregeling (art. 5.2)
    In ruimten waarin beeldschermwerk wordt verricht mag het equivalente geluidsniveau ten gevolge van apparatuur niet meer bedragen dan 45 dB(A).

Comforteisen

klikConform NPR-CR 1752 kunnen de volgende eisen voor het achtergrondgeluidniveau worden aangehouden.


Conclusie

De eisen zoals weergegeven in tabel 8 zijn niet in strijd met de wettelijke bepalingen en kunnen daarom worden gehanteerd bij het ontwerp van de klimaatinstallaties.

Ventilatiesystemen en comfortklassen

Bij hybride ventilatie wordt zowel op natuurlijke als op mechanische wijze geventileerd, waarbij de keuze van de ventilatiewijze wordt bepaald door het energiegebruik, de binnenluchtkwaliteit en het thermische comfort. In de praktijk betekent dit zoveel mogelijk langs natuurlijke weg ventileren. Bij onvoldoende drijvende kracht van wind en thermische trek wordt de ventilatie ondersteund door een mechanisch ventilatiesysteem. Hybride ventilatiesystemen zijn intelligente systemen waarbij op basis van een geavan-ceerde regelinstallatie geheel automatisch wordt gewisseld tussen natuurlijke en mecha-nische ventilatie, bij voorkeur op vertrekniveau.

Hybride ventilatie kan het beste worden toegepast in afgesloten ruimten zoals cellen-kantoren en klaslokalen omdat er dan bij enkelzijdige ventilatie een geringere kans op tocht bestaat dan bij kruisventilatie. De uitvoering van de gevel speelt hierbij een belang-rijke rol. Hybride ventilatie kan uitstekend worden gecombineerd met het concept van de tweede huidgevel.

Het is interessant om na te gaan in hoeverre de gepresenteerde comfortniveaus in de praktijk haalbaar zijn bij de verschillende wijzen van ventileren en wat de randvoor-waarden zijn.

Natuurlijke ventilatie

Uit onderzoek [6, 7] blijkt dat op natuurlijke wijze in kantoorgebouwen kan worden geventileerd en gekoeld, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • Glasoppervlakte: Maximaal 40% t.o.v. de buitengevel
  • Zonwering: Buitenzonwering, automatisch bediend
  • Interne warmtelast
    * Lichte gebouwen: < 20 W/m2
    * Middelzware gebouwen : < 25 W/m2
    * Zware gebouwen: < 30 W/m2
  • Ventilatie-openingen
    * Effectief oppervlak: > 2% van het netto vloeroppervlak
    * Regeling: automatisch, weersafhankelijk en traploos
  • Voorkoeling gebouw: d.m.v. nachtventilatie in de zomerperiode
  • Warmteaccumulatie: effectieve benutting thermische massaconstructies.

In verband met de inbraakveiligheid wordt bij toepassing van grotere ventilatie-openingen geadviseerd beschermende maatregelen te treffen.

Als aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan wordt gedurende het gehele jaar de resulterende temperatuur van 25,5°C niet meer dan 100 uur overschreden, terwijl temperaturen hoger dan 28°C niet meer dan 15 uur voorkomen. Dit klimaat kan worden geïnterpreteerd als een klasse B klimaat met temperatuuroverschrijdingen, dat in ons land gebruikelijk is voor rijksoverheidsgebouwen (RGD-richtlijn). Indien de ventilatie en koeling uitsluitend langs natuurlijke weg plaatsvindt is dit klimaat het hoogst haalbare. Het voldoen aan de gewenste luchtkwaliteit is in principe mogelijk omdat bij natuurlijke ventilatie onder gunstige condities (voldoende wind en thermische trek) aanzienlijke ventilatievouden kunnen worden gerealiseerd. De vereiste luchtverversing is echter niet altijd mogelijk en kan daarom niet worden gegarandeerd. Het tochtvrij kunnen toevoeren van de lucht, met name in de winterperiode, kan eveneens een beperkende factor zijn en vraagt daarom de nodige aandacht. Door toepassing van een tweede huidgevel en/of zorgvuldig ontworpen regelbare roosters / gevelopeningen hoeft tocht geen probleem te zijn. In de praktijk is gebleken dat het toevoeren van de buitenlucht boven het gedeeltelijk open uitgevoerde verlaagde plafond en het voorverwarmen van de buitenlucht (door klimaatplafond, verwarmingselementen boven het verlaagde plafond of door goede menging met ruimtelucht) een goede oplossing is.

Bij natuurlijke ventilatie is er geen hinder van installatiegeluid. Wel kan hinder worden ondervonden van buitengeluid, bijvoorbeeld ten gevolge van wegverkeer. De mogelijkheden van deze wijze van ventileren hangen dus nauw samen met de locatie en de geluidwerende eigenschappen van roosters / openingen in de gevel bij geopende stand. In de praktijk is een geluidbelasting op de gevel tot 65 à 70 dB(A) mogelijk, waarbij het niveau binnen de 40 dB(A) niet overschrijdt. Het realiseren van de overige partiële comfortparameters is niet specifiek gebonden aan het ventilatiesysteem.

Hybride ventilatie

Indien er sprake is van hogere interne warmtebelastingen en/of hogere comforteisen is natuurlijke ventilatie alleen niet meer toereikend en is een aanvullend mechanisch ventilatiesysteem met koeling noodzakelijk. Oriënterende berekeningen geven aan dat het om economische redenen minder aantrekkelijk is hogere eisen aan de binnentemperatuur te stellen dan die volgens een klasse B klimaat zonder temperatuuroverschrijdingen. Dit geldt indien aan dezelfde voorwaarden wordt voldaan als genoemd bij natuurlijke ventilatie. Bij hogere eisen weegt de te bereiken energiebesparing tijdens de periode dat op natuurlijke wijze kan worden geventileerd en gekoeld niet meer op tegen de extra kosten voor het mechanische ventilatiesysteem [6].

Door een goede uitvoering en regeling van de ventilatieroosters / gevelopeningen zijn bij natuurlijk / mechanisch ventileren de aspecten luchtkwaliteit en geluid geen wezenlijk probleem. Aan tocht en eventuele geluidsoverlast van verkeer bij natuurlijke ventilatie dient wel aandacht te worden besteed. In de praktijk is dit probleem echter oplosbaar.

Mechanische ventilatie

Bij toepassing van mechanische ventilatie kan men onderscheid maken in systemen zonder en met koeling. Indien niet wordt gekoeld is in thermisch opzicht een klasse B klimaat met temperatuuroverschrijdingen haalbaar mits dezelfde voorwaarden als genoemd bij natuurlijke ventilatie worden aangehouden. Bij mechanische ventilatie-systemen met centrale en/of lokale koeling zijn in principe alle comfortklassen te realiseren, met of zonder temperatuuroverschrijdingen. Dit geldt eveneens voor de aspecten luchtkwaliteit en geluid.

Conclusie en aanbevelingen

Het realiseren en handhaven van een gewenste binnenmilieukwaliteit is een wezenlijk onderdeel in het proces van ontwerpen, onderhouden en beheren van gebouwen en klimaatinstallaties. Ten aanzien van de aspecten: thermisch binnenklimaat, binnenlucht-kwaliteit en akoestisch binnenklimaat is de classificering van eisen in comfortniveaus volgens NPR-CR 1752 in de praktijk bruikbaar. De uitwerking van de comfortniveaus naar ventilatiedebieten voor kantoorgebouwen toont aan dat alleen de luchtkwaliteit volgens de laagste comfortklasse, klasse C, in strijd is met de eisen van het Bouwbesluit en de Arbowet. Om alle comfortklassen te kunnen realiseren is een nuancering van de wettelijke eisen wenselijk.

In de praktijk bestaat er behoefte aan een eenduidig referentiepakket van binnenmilieu-eisen ten behoeve van het ontwerpen, onderhouden en beheren van gebouwen en klimaat-installaties dat:

  • Aansluit op de comfortklassen volgens NPR-CR 1752
  • Aansluit op de laatste inzichten t.a.v.:
    * eventuele adaptieve mechanismen
    * productiviteit in relatie tot comfortniveau [3]
  • Toepasbaar is voor specifieke ruimten per gebouwfunctie
  • Het thermische binnenmilieu zowel in de winter- als de zomersituatie beschouwt
  • Rekening houdt met de geldende wet- en regelgeving (Bouwbesluit, Arbowet)
  • Rekening houdt met reeds bestaande praktijkrichtlijnen (RGD).

Het verdient daarom aanbeveling om een commissie in het leven te roepen voor het samenstellen van dit referentiepakket binnenmilieueisen. In dit verband kan worden gedacht aan de reeds opgerichte ISSO-kontaktgroep 58 “Thermisch binnenklimaat als gebouwprestatie”, die zich bezig gaat houden met meer valide, beter toetsbare en beter communiceerbare beoordelingscriteria voor het thermische binnenklimaat. Een uitbreiding van het takenpakket tot ook de binnenluchtkwaliteit en het akoestische binnen-klimaat is wenselijk.

Literatuur

(als in FMM 102)

Auteur

De heer ir. E.N. ’t Hooft studeerde werktuigbouwkunde aan de TU Delft met als afstudeerrichting Klimaatregeling. Hij is als specialist klimaatinstallaties werkzaam bij BV Technical Management (TM) te Amersfoort. Hij houdt zich onder meer bezig met duurzame installatieconcepten bij nieuwbouwprojecten. Tevens is hij gastdocent bij de TVVL.

Producttips

Volg F-Facts

Word gratis lid en ontvang op dinsdag en donderdag het laatste facility nieuws in uw mailbox! Én als lid krijgt u ook toegang tot exclusieve online artikelen.

Word lid van F-Facts Facility Platform