Logo
  • Nieuws
  • 6 maart 2018
  • Bron: Europa Decentraal

Uitspraak rechter inzake inbesteding Rijksschoonmaakdiensten

Het door de Rijksoverheid onderbrengen van de eigen schoonmaakwerkzaamheden bij een speciaal daarvoor opgerichte organisatie via een inbestedingsconstructie is volgens een recente uitspraak van de rechtbank Den Haag niet onrechtmatig.

Beeld Uitspraak rechter inzake inbesteding Rijksschoonmaakdiensten

Het is voor decentrale overheden van belang om kennis te nemen van deze uitspraak omdat ook decentrale overheden regelmatig werkzaamheden (wensen te) vergeven binnen hun eigen organisatie of aan (gelieerde) publieke organisaties via de inbestedingsuitzonderingsgrond. Decentrale overheden krijgen bij de toetsing van inbestedingsconstructies met vraagstukken te maken die vergelijkbaar zijn met de rechtsvragen in deze uitspraak.

Bij ‘zuiver inbesteden’ verleent een (decentrale) overheid een opdracht aan een eigen overheidsdienst (binnen dezelfde rechtspersoon). Van een dergelijke ‘in-house opdracht’ is sprake als de opdracht door een eigen onderdeel van de aanbestedende dienst wordt uitgevoerd. De opdrachtgever en opdrachtnemer zijn dan onderdeel van dezelfde rechtspersoon, zodat geen overeenkomst onder bezwarende titel gesloten kan worden. Bij een zuivere in-house opdracht is daarom geen sprake van een overheidsopdracht in de zin van de aanbestedingsrichtlijn. De Europese aanbestedingsrichtlijnen zijn in dat geval niet van toepassing.

Inbesteden door de Rijksoverheid

Uit de uitspraak van de rechtbank Den Haag volgt dat de Rijksoverheid de zogeheten Rijksschoonmaakorganisatie (RSO) heeft opgericht met het doel de betreffende schoonmaakwerkzaamheden voortaan in eigen beheer uit te voeren. Met de oprichting van de RSO worden de medewerkers die de schoonmaakwerkzaamheden voor het Rijk uitvoeren in dienst van de Rijksoverheid genomen.

Een aantal schoonmaakbedrijven dat de afgelopen jaren overeenkomsten op het gebied van schoonmaakdienstverlening met de Rijksoverheid had afgesloten was het niet met deze inbestedingsconstructie eens en maakte een civiele procedure aanhangig. De schoonmaakbedrijven voerden aan dat de Staat der Nederlanden onrechtmatig handelt door de schoonmaakwerkzaamheden door de RSO te laten uitvoeren in plaats van deze middels een aanbesteding in de markt te zetten.

In strijd met aanbestedingsrecht?

De schoonmaakbedrijven verduidelijkten hun standpunt met de stelling dat de ministeries en de overige Rijksoverheidsinstanties waarvoor de RSO schoonmaakwerkzaamheden zal verrichten niet binnen dezelfde gezagsstructuur vallen. De RSO zou de schoonmaakwerkzaamheden niet zonder voorafgaande aanbesteding mogen uitvoeren voor andere onderdelen van de Staat, omdat de RSO slechts onder het gezag van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) valt.

De rechtbank verwerpt dit standpunt en komt tot het oordeel dat er geen sprake is van juridisch te onderscheiden entiteiten, omdat alle betrokken instanties (de RSO, de ministeries en andere Rijksoverheidsinstanties) tot dezelfde publiekrechtelijke rechtspersoon (namelijk de Staat der Nederlanden) behoren. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar overweging 5 van de considerans van de aanbestedingsrichtlijn 2014/24/EU, waarin is opgenomen dat lidstaten niet verplicht zijn dienstverlening die zij zelf willen organiseren uit te besteden. Er is dus wat betreft de rechtbank geen sprake van strijd met het aanbestedingsrecht.

In strijd met staatssteun- of mededingingsrecht?

Verder hebben de schoonmaakbedrijven aangevoerd dat de RSO een onderneming in de zin van het mededingings– en staatssteunrecht is, waaraan door de Staat een niet-marktconform voordeel zou worden verleend. Bovendien is de oprichting van de RSO volgens de schoonmaakbedrijven in strijd met het verbod op misbruik van machtspositie nu aan de RSO een alleenrecht wordt verleend op de relevante markt voor het verrichten van schoonmaakdiensten voor de Rijksoverheid.

De rechtbank concludeert echter dat de RSO niet kwalificeert als een onderneming in de zin van art. 107 lid 1 VWEU en art. 102 VWEU, noch als een openbare onderneming als bedoeld in art. 106 lid 1 VWEU. De RSO verleent namelijk geen diensten aan derden en oefent zodoende geen economische activiteit uit, zodat er geen sprake is van strijdigheid met het mededingingsrecht of staatssteunrecht.

In strijd met maatschappelijke zorgvuldigheid/algemene beginselen van behoorlijk bestuur?

Ten slotte oordeelt de rechtbank dat de Rijksoverheid niet in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid handelt door schoonmaakwerkzaamheden uit de markt te halen en zelf te verrichten. Aangezien ook de Staat bij zijn privaatrechtelijke optreden contractsvrijheid heeft, mag de Staat in beginsel beslissen welke diensten hij zelf verzorgt, stelt de rechtbank. Deze vrijheid wordt begrensd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De rechtbank is van oordeel dat de Rijksoverheid in redelijkheid heeft kunnen menen dat evenredigheid bestaat tussen enerzijds de nadelige gevolgen voor de schoonmaakbedrijven en anderzijds de met de oprichting van de RSO nagestreefde doelen. Er is evenmin sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. Eventuele niet-geconcretiseerde verwachtingen ten aanzien van verlenging van overeenkomsten resulteren volgens de rechtbank niet in de algehele onrechtmatigheid van de oprichting en instandhouding van de RSO.

Bron: Marieke Merkus en Chris Koedooder, Europa decentraal

Producttips