Logo
  • Achtergrond
  • 28 mei 2001
  • Nico Lemmens

De toekomst van Facility Management

Een blik in de toekomst van Facility Management aan de hand van tien stellingen.

De eenentwintigste eeuw is nauwelijks begonnen en Facility Management Magazine beleeft zijn honderdste editie, een jubileum dat helaas gevierd wordt zonder de Founding Father van het vaktijdschrift Frans van Waardhuizen. De jubileumeditie markeert een mijlpaal in de historie van Facility Management Magazine, die aanleiding vormt voor een blik in de toekomst van het vakgebied Facility Management - een buitengewoon riskante onderneming - aan de hand van tien stellingen.

’Waag je niet aan voorspellingen en zeker niet als die op de toekomst betrekking hebben’, zo luidt een Chinese wijsheid. Door alle tijden heen hebben mensen deze raad echter koppig in de wind geslagen.

Zo verwachtte Gutenberg, volgens onze Oosterburen de uitvinder van de boekdrukkunst, niet meer dan een handvol bijbels te zullen drukken. De Engelse filosoof John Stuart Mill schrok toen hij bedacht dat de wereld het vanwege het eindige aantal muzieknoten weldra zonder nieuwe melodieën zou moeten stellen. In een hoofdartikel van de Boston Post uit 1865 viel te lezen: ”Welingelichte lieden weten dat het onmogelijk is de stem langs draden over te brengen en dat het, als het wel zou kunnen, geen praktische waarde zou hebben.” Op 10 maart 1876 logenstrafte Alexander Graham Bell deze bewering tijdens het eerste succesvolle telefoonexperiment met de volgende memorabele woorden aan het adres van zijn assistent: “Meneer Watson, kom hier, ik wil met u spreken”. Bell dacht overigens dat zijn vinding alleen zou worden gebruikt om mensen te laten weten dat ze een telegram konden verwachten.

Lord Kelvin, pionier op het gebied van thermodynamica en elektriciteit, stelde in 1895 met grote beslistheid: ”Vliegmachines die zwaarder zijn dan lucht zijn onbestaanbaar”.

In 1940 dacht de topman van IBM dat Amerika nooit meer dan een half dozijn computers nodig zou hebben en het tijdschrift Popular Science schatte dat die apparaten maximaal anderhalve ton per stuk zouden wegen. De uitvinder van de vacuümbuis Lee Deforest was er nog in 1957 van overtuigd dat de mens nooit de maan zou bereiken.

Ook in de facilitaire wereld komen we pogingen tegen de toekomst te voorspellen. Zo was de stofzuigerfabrikant Alex Lewyt er in 1955 rotsvast van overtuigd dat stofzuigers binnen tien jaar op kernenergie zouden werken.

Zoals we inmiddels weten, is geen enkele van deze voorspellingen uitgekomen. Zo langzamerhand kunnen we spreken van een rijke traditie van futurologische miskleunen. Nu zijn tradities er om te koesteren. Daarom volgt hieronder een zoveelste poging de toekomst te voorspellen, in dit geval die van het vakgebied Facility Management, aan de hand van een tiental stellingen. Volgens Lord Byron is het verleden de beste profeet voor de toekomst. Daarom vormt dat verleden het uitgangspunt.

Stelling 1

Samen met de employé is in de twintigste eeuw de manager op het toneel verschenen (die overigens eveneens een employé is). De derde nieuwe acteur op het toneel is de professional in loondienst. Geen van deze drie heeft een voorloper in het pre-industriële tijdperk, en het is niet uit te sluiten dat ze in het postindustriële tijdperk zullen verdwijnen, zoals ook de slaaf, de vazal en de klerk intussen weer zijn verdwenen.

Toelichting

Toen aan het eind van de negentiende eeuw bleek dat het traditionele systeem van leiding geven en toezicht houden op basis van straf en dwang niet meer effectief was, ontstond een nieuw concept: dat van het ‘hanteren’ van mensen. Het werk van leidinggevenden veranderde geleidelijk en kreeg een nieuwe naam, afgeleid van het Italiaanse werkwoord maneggiare (‘hanteren’, vooral van paarden). ‘Il maneggio’, de manager, verschijnt ten tonele met publicaties als The building of men (Murphy, 1871), Human being management (Industrial management, 1916), The new profession of handling men (Bloomfield, 1916), Shaping man to the work (Slocum, 1917) en Handling Men (Shaw, 1917).
In dezelfde periode duikt een ander verschijnsel op: dat van de professional in loondienst.
Terwijl de klassieke professies (advocaat, arts, geestelijke) al in feodale tijden bestonden, verschijnen de termen ‘professional’ en ‘professionalisme’ in het gewone taalgebruik pas in de negentiende eeuw.

Elliott (1989) constateert een verschuiving van de traditionele ‘statusprofessionals’, wier autoriteit was afgeleid van sociale positie, naar de hedendaagse ‘technische professionals’, waarvan de autoriteit is gebaseerd op specifieke beroepskennis. De traditionele statusprofessionals ontleenden hun autoriteit aan afkomst (en goed gedrag). In feodale tijden erfden alleen de eerstgeboren zonen van de adel het land. De sociale status van de overige zonen werd gegarandeerd door een positie in het leger, de clerus, de geneeskunde of de advocatuur. De moderne technische professionals, waaronder de manager, claimen technische kennis in plaats van afkomst als basis van autoriteit.

We live in societies obsessed with management… We idolize managers; we fill bookstores with studies of them, under ‘fiction’ as well as ‘business’; we pretend to train huge numbers of innocent students to become them; we have even created a special class for them in our airlines. Yet we cannot come to grips with the simple reality of what they do. Why?

Bron: Henry Mintzberg in: ‘Managerial work: Forty years later’ in S. Carlson, Executive Behaviour. Acta Unviversitatis Upsaliensis, Sturia Oeconomiae Negotiorum, no. 32, 97 – 111

Veel activiteiten die worden ondernomen om Facility Management professionele status te geven, worden begrijpelijk wanneer we kennis nemen van de visie van Roy Jacques op het fenomeen professionalisme. Volgens Jacques (1996) moet een vakgebied een aantal goed verankerde relaties hebben, wil het als professie worden erkend:

  • de relatie met wetenschap: professionele kennis is theoretisch van aard, maar ook tot uitdrukking gebracht in regels. Deze regels hebben de vorm van toetsbare stellingen, omdat ze tot stand zijn gekomen via de gebruikelijke wetenschappelijke procedure van het opbouwen van kennis door middel van het testen van hypothesen;
  • de relatie met de universiteit: de professie is verbonden met een universitaire discipline, een ‘professionele school’. Deze school vervult twee belangrijke functies: ze legitimeert de wetenschappelijke objectiviteit van de kennis en ze regelt de toegang tot de professie door het toekennen van diploma’s en rangen;
  • de relatie met de wet: professionele kennis is beschermd. Een licentiesysteem zorgt ervoor dat het gebruik van de professionele kennis beperkt blijft tot de desbetreffende professie. Anderen zijn van het gebruik van die kennis uitgesloten. Professionals worden ook door de wet gehouden op een gestandaardiseerde manier te werken;
  • de relatie met de samenleving: de professie controleert de relatie van de individuele professional met de samenleving door middel van ethische codes en intercollegiale toetsing. Dienstbaarheidnormen (pro bono werk) moeten de professional legitimeren door objectiviteit boven eigenbelang te stellen;
  • de relatie met de cliënt: professionele status hangt nauw samen met de uitvoering van werkzaamheden die van groot belang worden geacht door een bevolkingsgroep die het vermogen heeft die status te ondersteunen. Zo is bijvoorbeeld de geneeskunde in de ogen van het publiek synoniem geworden met gezondheidszorg.

Er bestaat tegenwoordig een grote hoeveelheid beroepen waarvan de beoefenaren streven naar erkenning als professionals (verpleging, sociaal werk, onderwijs, enzovoorts). Zo ook het management, waarvan in de loop van de tijd steeds meer subvarianten zijn ontstaan. Van sommige van die varianten, zoals logistiek management en Facility Management, had enkele decennia geleden nog niemand gehoord. Al die managementvarianten willen een status verwerven, vergelijkbaar met die van de klassieke professies (hoewel de status van die klassieke professies de laatste eeuw flinke deuken heeft opgelopen). Een handicap van deze jonge en minder geïnstitutionaliseerde professies is dat de door Jacques genoemde relaties zwak zijn ontwikkeld, of zelfs helemaal ontbreken. Pogingen deze managementvarianten te institutionaliseren naar het voorbeeld van de klassieke professies zullen te gekunsteld blijken en daarom uiteindelijk niet tot het gewenste resultaat leiden. Daarbij kan het een troost zijn te beseffen dat de Titanic door professionals is gebouwd, maar de Ark door amateurs.

Stelling 2

De opkomst van de technische (organisatie)professies heeft enerzijds geleid tot een toename van specialistische kennis, maar anderzijds ook tot grote schotten tussen disciplines en tot zeer partiële benaderingen. In de eenentwintigste eeuw zullen die schotten weer worden doorbroken.

Toelichting

Veel van de huidige managementtheorieën en –benaderingen splitsen de organisatie op in even zovele deelaspecten: logistiek, financiën, HRM, kwaliteit, ICT, milieu, enzovoorts. Vervolgens wordt veel energie gestoken in het maken van bevredigende definities van al deze deelaspectgebieden. Daarna ontstaan terminologiediscussies (eventueel uitmondend in een nieuwe NEN-norm) en soms zelfs domeingevechten (is inkoopmanagement een onderdeel van Facility Management, en hoe zit dat met ICT-management?). Het opvallende van deze deelaspectbenaderingen is dat ze allemaal ‘integraal’ heten te zijn (Integrale Kwaliteitszorg, Integraal Facility Management, Integrated Logistics and Resource Management, etc.). Al deze benaderingen hebben de neiging niet de organisatie, maar de discipline centraal te stellen.

Wie zich probeert te verplaatsen in de schoenen van een topmanager en de boodschappen en aanbevelingen vanuit al die deelaspectbenaderingen op zich af laat komen, zal spoedig inzien dat het ‘geïntegreerd absorberen’ van al die boodschappen onbegonnen werk is.

Voor de topmanager is het overigens te hopen dat het bij het professionaliseringsstreven van de hiervoor genoemde managementvarianten blijft, en dat we in de komende jaren niet ook nog te maken krijgen met de roep om professionele erkenning van de Mission-Statement-Manager, de Corporate-Culture-Manager, de Total-Relationship-Commitment-Manager en de Corporate-Infrastructure-Resource-Manager.

Stelling 3

De technische (organisatie)professies zullen als disciplines blijven bestaan, maar als professie zullen ze worden geconfronteerd met het meest voorkomende verschijnsel in de evolutie: uitsterven.

Toelichting

Net zo min als de klassieke professies de grote problemen op maatschappelijk, politiek en economisch gebied hebben weten op te lossen - en daardoor aan status hebben ingeboet - zo zullen ook de technische professies niet in staat blijken de grote organisatieproblemen op te lossen. Daarom zullen ook zij aan status inboeten.

Stelling 4

Veel activiteiten rond het Facility Management-domein komen meer voort uit de behoefte aan legitimatie als professie, dan dat ze inhoudelijk toegevoegde waarde opleveren.

Toelichting

Verschijnselen als normering van terminologie, salarisonderzoeken, certificering en benchmarking kunnen worden gezien als een symptoom van de behoefte van een beroepsgroep aan erkenning als professie. Benchmarking aan de hand van facilitaire kengetallen is een uiting van de hedendaagse behoefte aan instrumentele beheersing, of zoals Van der Zee (1990) het formuleerde: “Meetdwang … een overmatige voorliefde voor resultaten die meetbaar zijn… ten koste van zaken die essentiëler zijn…” .

De toekomst zal uitwijzen dat benchmarking op facilitair gebied slechts in een zeer beperkt aantal gevallen vruchtbaar is (in een van de volgende edities van Facility Management Magazine zal hierop uitvoerig worden ingegaan).

Stelling 5

De gewoonte om processen en activiteiten te verdelen in categorieën als primair/secundair, kernactiviteit/niet-kernactiviteit is niet zinvol.

Toelichting

Wat wel en wat niet tot de kernactiviteiten behoort, is heel vaak een kwestie van subjectieve beoordeling en interpretatie van het management (Van Hootegem, 2000). Er is bovendien nog een ander argument dat voor de stelling pleit: of we een proces nu primair of secundair noemen, verandert niets aan aspecten van organisatie-inrichting en procesmanagement, zoals procesinrichting en procesbeheersing.

Stelling 6

Het is zinvoller om over Facility Management als functie te praten dan over Facility Management als professie. Daarom is het jammer dat HBO opleidingen hun naam gaan veranderen van Facilitaire Dienstverlening in Facility Management.

Toelichting

In veel discussies over Facility Management wordt impliciet aangenomen dat Facility Management moet worden ondergebracht in een aparte organisatorische functie of eenheid. Dat is maar zeer de vraag. Als een organisatie in haar facilitaire behoefte kan voorzien zonder Facility Managers, dan moet ze dat vooral niet laten.

Een onderzoek naar de arbeidsmarktverwachtingen van vierdejaarsstudenten HBO FM door FMployment wijst uit dat slechts 27% van de ondervraagden verwacht binnen een facilitaire organisatie van een bedrijf of instelling te gaan werken. Dat zou diegenen die zich inspannen om Facility Management tot professie te maken, te denken moeten geven.

Stelling 7

Veel facilitaire organisaties willen van een aanbod- naar een vraaggestuurde manier van werken. Dat is prima, zolang dat streven maar niet voornamelijk is ingegeven door behoefte aan aandacht van de facilitaire organisatie.

Toelichting

Zowel in de beroepsomgeving als in zijn privé-leven wordt de moderne burger (als klant van commerciële bedrijven, cliënt van overheidsinstellingen of eindgebruiker van facilitaire diensten) steeds meer geconfronteerd met leveranciers die (al dan niet met inschakeling van een enquêtebureau) tijd van hem opeisen.

De irritatie hierover zal snel toenemen. Natuurlijk is er niets mis met het streven van een facilitaire organisatie zich klantgericht en dienstverlenend op te stellen. Toch kan het daarbij gebeuren dat klanten zich eerder lastig gevallen voelen, dan ze toegevoegde waarde ervaren. Het overeenkomen van zogenaamde Service Level Agreements, het meten en evalueren van prestaties en het uitvoeren van klanttevredenheidsmetingen, zijn allemaal activiteiten die niet alleen beslag leggen op de tijd van de facilitaire dienstverleners, maar ook op die van hun klanten. Veel klanten voelen er niets voor zich op deze manier met facilitaire voorzieningen bezig te houden. Zij willen er gewoon geen omkijken naar hebben. Facilitaire dienstverlening behoort tot het soort dienstverlening, waarbij de klant het vanzelfsprekend vindt wanneer dingen goed gaan. Hij laat alleen iets van zich horen in geval van een probleem (of een wens). Dienstverleners die dit onbevredigend vinden en regelmatig behoefte hebben aan aandacht en applaus kunnen beter een carrière in het circus overwegen.

Stelling 8

Veel concepten op facilitair gebied zijn aanbod- in plaats van vraaggeoriënteerd. In de toekomst zullen vraaggerichte aspecten binnen de markt meer aandacht (moeten) krijgen.

Toelichting

Gestructureerde aandacht voor die vraaggerichte aspecten is er nauwelijks. Op tal van gebieden is behoefte aan een contingentiebenadering (zie de toelichting bij stelling 9). Daarmee is zelfs nog geen begin gemaakt. Om Facility Management en facilitaire dienstverlening verder te ontwikkelen, zal de komende jaren juist op dit gebied een grote ontwikkelingsinspanning moeten worden geleverd. Daarbij zijn onder meer de volgende vragen aan de orde. Hoe kunnen facilitaire organisaties het best worden ingericht? Welke facilitaire taken (uitvoerend en regelend) zijn wel en niet combineerbaar? Welke vormen van uitbesteding zijn in welke situaties te verkiezen?

Stelling 9

Facilitaire dienstverlening zal ook in de toekomst buitengewoon boeiend blijven. Of Facility Management als professie zal worden erkend of niet, zal daar niets aan af doen.

Toelichting

Zie bijvoorbeeld de Researchagenda van de vereniging FMN (Lemmens, 2001). Werk genoeg voor wie de komende jaren van de straat wil blijven.

Stelling 10

In de toekomst zal de Facility Manager die zijn operationele zaken goed voor elkaar heeft meer waardering oogsten, dan tegenwoordig het geval is in de ogen van sommigen die willen dat hij vooral op strategisch niveau actief is.

Toelichting

De grote nadruk die door sommigen wordt gelegd op het strategische belang van Facility Management houdt een onverdiende devaluatie in van de hard werkende Facility Manager die zijn best doet zijn operationele facilitaire zaken ‘gewoon’ goed te regelen. Een Facility Manager die zijn zaken in operationele zin goed voor elkaar heeft, is volgens sommigen de benaming ‘Facility Manager’ eigenlijk niet waard. Hij moet minstens op tactisch en liefst op strategisch niveau actief zijn. De wens om Facility Management in de organisatie op strategisch niveau vertegenwoordigd te zien, is voor een ruime meerderheid van de organisaties niet realistisch. Ook in de toekomst zullen raden van bestuur kleine gezelschappen blijven. De dromen van de kat zijn van muizen vervuld.

Epiloog

Of de toekomst van Facility Management met de hier gepresenteerde stellingen goed wordt voorspeld, zal moeten blijken. Als we mogen afgaan op het lot van de voorspellingen zoals beschreven in het begin van dit artikel, valt dat te betwijfelen. In al die gevallen bleek de toekomst immers over een zo grote dosis eigenwijsheid te beschikken dat alle voorspellingen werden gelogenstraft. Hoe eigenwijs die toekomst echter ook is, één ding is zeker: de schoonmaker gaat slapen in de rustgevende wetenschap dat de vervuiling intussen overal weer sluipend toeslaat, en zijn werk voor de toekomst verzekerd is.

Literatuur

  • E.A. Elliott (1989) The discourse of nursing: a case of silencing. Nursing and health care 10(10)
  • G. van Hootegem (2000) De draaglijke traagheid van het management, Leuven, Acco
  • R. Jacques (1996) Manufacturing the Employee, Management Knowledge from the 19th to 21th Centuries, London, Sage Publicatons
  • N.G.R. Lemmens (2001) De FMN Researchagenda, in: Facility Management Magazine, juni 2001
  • H. van der Zee, (1990) Kwaliteitsverbetering en innovatiemanagement, in: M&O, jr. 44, nr. 3

Auteur

Nico Lemmens is manager Corporate Development bij ISS Nederland B.V.

Producttips

Volg F-Facts

Word gratis lid en ontvang op dinsdag en donderdag het laatste facility nieuws in uw mailbox! Én als lid krijgt u ook toegang tot exclusieve online artikelen.

Word lid van F-Facts Facility Platform