Logo
  • Achtergrond
  • 1 februari 2002
  • Drs Abraham de Zwart

Meer inzicht in facilitaire onderzoeksgebieden

Door middel van gedegen onderzoek moeten duurzame oplossingen voor faclitaire probleemstellingen binnen handbereik komen. Het is daarom zaak de researchagenda effectief in te richten. Researchvragen ontstaan feitelijk binnen het bedrijfsleven, dat onderzoeksvragen aanlevert (push-strategy) en het onderwijs, dat onderzoeksvragen genereert (pull-strategy). De reikwijdte en complexiteit van het vakgebied vergen een geïntegreerde aanpak van de onderzoeksonderwerpen. Een quickscan die onderzoeksvragen relateert aan de inherente onderzoeksaspecten en benodigde hulpmiddelen kan het inzicht in potentiële facilitaire onderzoeksgebieden bevorderen.

Goed onderzoek zal een structurele bijdrage moeten kunnen leveren aan meer duurzame oplossingen van vooral weerbarstige facilitaire probleemstellingen. In het eerste artikel werd aangetoond dat het ook noodzakelijk is dat actuele problemen systematisch worden geïnventariseerd en vervolgens worden geagendeerd bij professionele onderzoekers. Van enkele lopende initiatieven kunnen we ons afvragen of deze een afspiegeling vormen van wat er leeft in het facilitaire wereldje en hoe die researchonderwerpen zich verhouden tot het totale facilitaire domein? In hoeverre zijn ze representatief en brengen de resultaten meer vooruitgang in het vakgebied. Welke belangrijke witte onderzoeksplekken zijn er? Vragen genoeg om het totale facilitaire onderzoeksgebied structureel in kaart te brengen.
Daarna kan met meer inzicht prioriteit worden toegekend aan te onderzoeken probleemgebieden.

Wie bepaalt de research agenda?

Goede researchresultaten dienen betere probleemoplossingen en betere theorievorming aan te reiken aan facility managers. Hiermee zal ook de kwaliteit van facilitaire opleidingen naar een hoger niveau worden gebracht.
Het valt toe te juichen dat er wat aan onderzoek binnen Facility Management wordt gedaan. Naast de CFM onderzoeken en een enkel ‘toevallig’ onderzoek bij de afzonderlijke faculteiten van instituten voor wetenschappelijk onderwijs, zoals bij bouwkunde en bestuurskunde is er vooralsnog niet te melden.
Wanneer we het aantal lopende onderzoeken afmeten aan de reikwijdte en de complexiteit van het vakgebied en de variatie in de probleemgebieden, moeten we helaas constateren dat het toch droevig is gesteld met de bestaande researchomvang. Het is nu vooral de agenda van CFM dat de onderwerpen vaststelt.

Verbreding van onderwerpen

De initiatieven van FMN en het LOOFD mogen dan ook een logische reactie zijn op de tot dusver beperkte research, maar terecht moet hier tegenin worden gebracht dat er gewaakt moet worden tegen verregaande versplintering. Allerlei niet samenhangende onderzoeken werken weliswaar uit als ‘duizend bloemen laten bloeien’ en kunnen heel vruchtbaar zijn, maar ze kunnen ook zowel modieuze als tendentieuze effecten veroorzaken. Versnippering is een verschijnsel dat in principe strijdig is met ieder denkbaar facility managementconcept, waar integratie juist de meerwaarde levert.

Willekeurige onderwerpen?

De onderwerpen die tot dusver zijn komen boven drijven behoren tot een aantal door een beperkte groep facility managers veel genoemde onderwerpen. Of deze ook representatief zijn voor het hele facilitaire werkveld, dan wel de hoogste prioriteit hebben valt te betwijfelen, omdat opportunistische argumenten niet zelden de doorslag hebben gegeven. Gevoeligheid voor internationale argumenten en de macht van degene die het onderzoek wil mee financieren spelen bijna natuurlijk een sterke rol in het vaststellen van de researchagenda.

Doeners of denkers

De onduidelijke afbakening van het facilitaire domein, de complexiteit van het vakgebied maken het niet eenvoudig om aan te geven waar welke behoefte bestaat aan onderzoek en waarom en hoe intens die behoefte is.
Daarnaast werkt de attitude van de facility manager ook niet bepaald in het voordeel van de onderzoeker. Facility managers zijn immers als doeners gewend hun eigen boontjes te doppen.

Markatiepunten

Willen we inzicht krijgen in mogelijke en potentiële onderzoeksvragen en overzicht verwerven omtrent facilitaire onderzoeksgebieden, dan lijkt het bijna onoverkomelijk om een researchkaart te construeren.
Naar analogie aan een geografische kaart kunnen we dan overzien welke problemen er zoal spelen; welke onderzoeksdoelen we kunnen kiezen; welke problemen prioriteit hebben; waar meer informatie over verkregen moet worden enzovoort.
Op een geografische kaart zijn markatiepunten, oriëntatiepunten, die nodig zijn voor herkenning in de praktijk. Met behulp van deze referentiepunten kunnen we gemakkelijker de kortste weg en de meest haalbare weg naar het einddoel vaststellen.

Probleem- oplossend- vermogen vergroten

Nadat het onderzoeksdomein in hoofdlijnen van onderzoek in een vergelijkbare onderzoekskaart zijn gebracht kan het besluitvormingsproces starten met het aangeven van relaties tussen onderzoeksprojecten, met het toekennen van prioriteiten. Ook de resultaten van lopende onderzoeken kunnen nu beter worden ingebed en worden afgezet naar een gericht doel: het probleem- oplossend- vermogen van de facility manager vergroten, het vakgebied verdiepen, het daarmee samenhangend onderwijs op een hoger niveau brengen, meer prestige verwerven voor toekomstige onderzoeksagendapunten.

Ontstaan van de researchvragen

Om bestaande onderzoeksvragen in kaart te brengen is het goed na te gaan waar deze vragen doorgaans ontstaan en waar deze zich nu meestal concreet aandienen.

Eigenlijk zijn er twee herkenbare trajecten te onderscheiden:

  1. Via het bedrijfsleven worden onderzoeksagendapunten aangeleverd. Deze aanpak is te vergelijken met een push- strategie bij marketing. Organisaties duwen hun vraag als het ware naar de onderzoekers toe. Vervolgens kunnen onderzoekers er andere organisaties bij betrekken.
  2. Via het onderwijs en onderwijsinstituten, die studenten de markt opsturen op zoek naar geschikte onderwerpen. Deze is te vergelijken met de pull- strategie uit de marketing. Onderzoekers en/ of studenten gaan op zoek naar en trekken de onderwerpen als het ware uit de markt.

Push strategie

Het eerste traject loopt via het bedrijfsleven naar vakorganisaties, waar deze vragen gestuurd kunnen worden naar onderzoekers. Dit traject wordt bijvoorbeeld door het CFM bewandeld. Gezamenlijke belangen van bij CFM betrokken organisaties (Allied Companies genoemd) maken het mogelijk dat bepaalde researchagendapunten ook daadwerkelijk voor onderzoek worden aangemerkt.
Ook FMN research volgt min of meer dit traject: via indicaties van leden van FMN worden onderwerpen door het bestuur op initiatief van het researchforum van FMN vastgesteld.
Hierbij zou men kunnen stellen dat het zogenaamde piep- systeem werkt. Degene die het hardste piepen en het meeste geld inbrengen krijgen hun zin.

Pull strategie

Het tweede traject verloopt anders. Bij de HBO- FD begint het al bij de stageprojecten, waarbij studenten de eerste beginselen van projectmanagement en van toegepast onderzoek leren in praktijk te brengen. De onderwerpen kunnen daarom niet van een te zwaar niveau zijn, maar geven weer welke onderwerpen actueel zijn op vooral operationeel niveau. Hierbij kunnen we denken aan bijvoorbeeld het schrijven van een schoonmaakbestek, het beschrijven van een stappenplan voor de invoer van HACCP, het invoeren van ontkoppeld koken procedure, het maken van een sleutelplan, het inventariseren van bepaalde knelpunten van ICT, het inventariseren van gebouwbeheer, het analyseren van het autoparkbeheer, het schrijven van een operationeel calamiteitenplan, het schrijven van een Arbo-Risico-inventarisatie en evaluatie, en dergelijke.

Bij het afstudeertraject gaat het om zwaardere en complexere onderwerpen. Dit geldt zowel voor de HBO FM als voor de Master FM, Master of Science FM en Master of Science RE (Real Estate). Zij het dat bij de HBO meer tactisch, dan strategische onderwerpen spelen (keuzeproblematiek in relatie tot bestaand beleid) en bij WO meer strategische onderwerpen of onderwerpen met het karakter van modelbouw.
Over het algemeen zien we ook verschillen in de keuze van afstudeeronderwerpen tussen de student voltijd en de student deeltijd. De deeltijdstudent werkt doorgaans al in een facilitair ontwikkelde omgeving. Zijn onderwerp gaat vooral over het oplossen van complexe facilitaire problemen, die binnen de organisatie waar hij of zij werkzaam is in hoge mate actueel zijn (type case- study).
Uiteraard zijn er op deze grove tweedeling allerlei uitzonderingen denkbaar.

Wetenschappelijk onderwijs

Binnen het wetenschappelijk onderwijs kunnen we ook nog verwijzen naar min of meer specialistische afstudeerprojecten bij één wetenschappelijke mono discipline, die of onderdeel uitmaken van FM of er sterk tegenaan hangen, Bijvoorbeeld.

  • Bouwkunde ( moderne inrichtingsconcepten, gebouwbeheer, veiligheid)
  • Bestuurskunde (Plaats en positie van het facility management binne het algemeen management);
  • Bedrijfskunde (het integraal managen, procesmanagement, projectmanagement; Huishoudkunde (functie van facility management binnen organisaties);
  • Organisatie sociologie (FM als verzameling van subculturen);
  • Organisatiepsychologie (facilitaire maatregelen en gedragsbeïnvloeding).

Bij het wetenschappelijk onderwijs kan de voortgang van de wetenschap een sterke invloed hebben in het vaststellen van onderwerpen. Hierbij moeten we financiële randvoorwaarden niet uit het oog verliezen. Gebleken is dat zuiver wetenschappelijk onderzoek schaars is en dat ook binnen het WO sterke accenten worden gelegd op de praktische effecten voor het werkveld. Dit is met name het gebied waarop onderscheid tussen HBO en WO arbitrair aan het worden is.
Mogelijke integratie van HBO en WO moet derhalve op de lange termijn niet worden uitgesloten. Immers Nederland is in de Westelijke wereld inmiddels het enige land waar HBO en WO bij wijze van uitzondering nog niet zijn geïntegreerd.

Een quickscan om het onderzoeksterrein in kaart brengen

97-29-F1-small.jpgNu we ongeveer weten hoe de onderzoeksvragen zich min of meer opportunistisch aandienen zouden we ons kunnen verdiepen in de wijze waarop de vraag zich in grote lijnen en idealiter zou kunnen aandienen. Met het beschrijven van dit traject kunnen we zichtbaar maken waar en hoe op de onderzoekskaart in bepaalde informatiebehoefte zou kunnen worden voorzien. Hiervoor hebben we een quickscan geconstrueerd, een soort algemene vragenlijst, vanwaar we kunnen starten naar dieper liggende problemen.

De basis voor deze quickscan volgt globaal de opzet van een onderzoek.

In de volgende artikelen willen we nader ingaan op deze vragen. De vetgedrukte informatie wijst vooruit naar eventuele hulpmiddelen die gebruikt kunnen worden om de gestelde vraag te kunnen beantwoorden.

Literatuur

  • Baarda, D.B. en De Goede, M.P.M., Basisboek methoden en technieken, Stenfert Kroese Uitgevers, Leiden / Antwerpen, 1990.
  • Bennekom, M. van en anderen, De zoektocht naar…,een inventarisatie van onderzoeken in opdracht van FMN, 3e jaars projectstudie studenten, Hogeschool Diedenoort, Wageningen 2001.
  • CFM Mail, nr 1, jaargang 2, april 2001.
  • Lemmens,N., Researchagenda van FMN, FMI, nummer 5, 2001
  • Ploeg, M van der, De Zwart, A.,1000 scripties verder: FD op weg naar een volwassen discipline (1), Facto 6, juni 1999.

Auteur

Drs. A. de Zwart is directeur van het adviesbureau Benchmark FM te Amersfoort en verbonden aan Hogeschool Diedenoort (HBO-FD) te Wageningen en universitaire opleiding European Master Facility Management te Deventer/Londen. Hij is lid van het FMN researchforum en Vakgroep Opleiders van IIFMA Holland.

Producttips

Volg F-Facts

Word gratis lid en ontvang op dinsdag en donderdag het laatste facility nieuws in uw mailbox! Én als lid krijgt u ook toegang tot exclusieve online artikelen.

Word lid van F-Facts Facility Platform