Logo
  • Opinie
  • 17 juni 2020

Opzegging overeenkomst en onvoorziene omstandigheden

In het geval van een commerciële overeenkomst worden sommige onvoorziene omstandigheden geacht te zijn verdisconteerd in het normale ondernemersrisico dat verbonden is aan het sluiten van dergelijke overeenkomsten. Onlangs heeft de Rechtbank Oost-Brabant om die reden een beroep op onvoorziene omstandigheden verworpen.

Volgens bestendige rechtspraak is een onvoorziene omstandigheid een (toekomstige) omstandigheid die niet in de overeenkomst is opgenomen en daarmee ook niet door partijen is voorzien. Op grond van artikel 6:258 lid 1 BW kan de rechter op verlangen van partijen de gevolgen van een overeenkomst wijzigen of deze ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Artikel 6:258 lid 2 BW bepaalt dat voor ontbinding van een overeenkomst geen plaats is, als het intreden van de onvoorziene omstandigheid krachtens (i) de aard van de overeenkomst of (ii) de verkeersopvattingen voor rekening komt van degene die zich erop beroept. In het geval van een commerciële overeenkomst worden sommige onvoorziene omstandigheden geacht te zijn verdisconteerd in het normale ondernemersrisico dat verbonden is aan het sluiten van dergelijke overeenkomsten. Onlangs heeft de Rechtbank Oost-Brabant om die reden een beroep op onvoorziene omstandigheden verworpen. 

Feiten

Deze zaak gaat over een impliciete overeenkomst tussen twee partijen: de dienstverlener en de klant. Sinds begin 2002 heeft de dienstverlener voor de klant kabels verwerkt tot kleinere coupures en, op basis van aparte afspraken met de klant, de rollen ook verpakt. Partijen hebben tussen 2002 en 2020 op basis van 7 brieven/offertes gehandeld. De brief voor het tijdvak 1 mei 2018 – 1 mei 2021 bevatte prijzen, een minimumafname van 250.000 kabels per jaar en 50.000 kabels per kwartaal met een maximum van 7000 kabels/artikelen per week. Deze brief is door partijen niet ondertekend. Begin 2019 zijn er 68.000 kabels binnen drie weken afgeleverd. De dienstverlener kon de kabels toen tijdelijk niet verwerken. Om een herhaling hiervan te voorkomen, is de klant op zoek gegaan naar alternatieve oplossingen met als gevolg dat het aantal geleverde kabels aan de dienstverlener met 75% omlaag ging. De dienstverlener accepteert de afname van het aantal geleverde kabels niet en vordert nakoming van de overeenkomst. De klant betwist dat er sprake is van een overeenkomst.

Het geschil

De relevante vragen zijn tweeledig; ten eerste, is er een overeenkomst? En ten tweede, is er een geldige reden voor tussentijdse opzegging van de overeenkomst door de klant? De Voorzieningenrechter stelt vast dat - in tegenstelling tot wat de klant beweert - de klant op de hoogte was van het bestaan van de brief. De Voorzieningenrechter stelt ook vast dat de betrokken medewerkers van de inkoopafdeling van de klant bevoegd waren om deze overeenkomst aan te gaan, en dat er dus sprake is van een bindende overeenkomst. De Voorzieningenrechter wijst daarbij op het belang van het gedrag van de partijen dat in overeenstemming met de brieven/offertes was, ondanks het feit dat de brief niet ondertekend was. Ten aanzien van de tweede vraag overweegt de Voorzieningenrechter dat in het geval van een overeenkomst voor bepaalde tijd, zoals hier het geval is, de klant de overeenkomst niet tussentijds kan beëindigen omdat een tussentijds beëindigingsrecht niet is opgenomen in de overeenkomst. De door de klant aangevoerde onderbouwing voor een beroep op onvoorziene omstandigheden – het zou volgens de klant goedkoper zijn om de diensten zelf uit te voeren – wordt door de Voorzieningenrechter verworpen. De Voorzieningenrechter veroordeelt de klant tot nakoming van de overeenkomst op basis van de niet ondertekende brief.  

Conclusie

Deze uitspraak benadrukt het belang van het duidelijk omschrijven en opschrijven van commerciële relaties in een overeenkomst. Ook al zijn de verplichtingen over en weer in de basis vrij simpel, toch kan het voorkomen dat het wenselijk is om een overeenkomst (tussentijds) te beëindigen. Wanneer de overeenkomst een samenraapsel is van brieven of orders, loopt men dus een risico. Noemenswaardig is dat de Voorzieningenrechter in dit geval de overeenkomst, althans de door partijen in de praktijk gebezigde handelingen, zo interpreteerde dat er sprake is van een minimum afnameverplichting. Dat is een vrij verregaande interpretatie met doorgaans grote juridische en commerciële gevolgen. Ook hier geldt dat indien partijen een minimum afnameverplichting wensen overeen te komen (of juist niet), dit helder in een overeenkomst moet worden vastgelegd. Tot slot het beroep van de klant op onvoorziene omstandigheden. In dit geval stelt de klant dat de onvoorziene omstandigheid is gelegen in het feit dat de klant de diensten zelf goedkoper kan uitvoeren. Kortom, een ondernemersrisico dat de klant bij het sluiten van de overeenkomst beter had moeten beoordelen en daarmee geen onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 6:258 BW, aldus de Voorzieningenrechter.

Producttips

Volg F-Facts

Word gratis lid en ontvang op dinsdag en donderdag het laatste facility nieuws in uw mailbox! Én als lid krijgt u ook toegang tot exclusieve online artikelen.

Word lid van F-Facts Facility Platform