Logo
  • Opinie
  • 19 februari 2021

Hotel niet contractueel verplicht tot afname schoonmaakdiensten gedurende de corona-sluiting

In een recente uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam zich uitgelaten over het effect van de pandemie op de contractuele relatie tussen een hotel en een schoonmaakbedrijf.

Op basis van een tussen partijen op 5 december 2016 gesloten overeenkomst levert CSU schoonmaakdiensten aan het Conservatorium hotel in Amsterdam. In de overeenkomst zijn de prijzen opgenomen voor de schoonmaak van de hotelkamers en de publieke ruimtes. Voor de schoonmaak van de publieke ruimtes is in de overeenkomst een bedrag van EUR 27.956,02 per maand opgenomen, waarbij is vermeld: ‘This amount will be adjusted according to actual work performed by the Contracter.” Vanwege de pandemie heeft het hotel in het voorjaar haar deuren moeten sluiten. Zij heeft bij CSU aangegeven dat schoonmaak van de publieke ruimtes door CSU niet langer nodig is. Desondanks heeft CSU aanspraak gemaakt op betaling van openstaande facturen die onder andere zien op de schoonmaak van de publieke ruimtes gedurende de periode dat het hotel gesloten was. Volgens CSU is het hotel ongeacht de pandemie en de sluiting contractueel gehouden om de schoonmaakdiensten af te nemen. Het hotel was het daarmee niet eens en weigerde deze facturen te voldoen. Voorafgaand aan de heropening van het hotel in juli heeft het hotel aan CSU te kennen gegeven dat zij maar een beperkt aantal schoonmakers van CSU nodig heeft omdat de schoonmaak voorlopig zal worden verricht door haar eigen hotelmedewerkers.

Het geschil

CSU heeft besloten deze kwestie voor te leggen aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam in een kortgedingprocedure (een spoedprocedure waarin een voorlopige voorziening kan worden gevorderd vooruitlopend op een zogenoemde bodemprocedure). CSU verzocht de rechtbank om het hotel te veroordelen tot nakoming van haar contractuele verplichting om alle schoonmaakdiensten door CSU te laten uitvoeren. Daarnaast vorderde CSU dat het hotel gehouden is om met CSU in overleg te treden. Dat overleg zou volgens CSU niet alleen moeten gaan over de doorlopende kosten van CSU in de periode dat het hotel geen of minder gebruik maakt van haar diensten, maar ook over de aangepaste tarieven voor de werkzaamheden van CSU bij verminderde uitvraag als gevolg van de pandemie. De rechtbank oordeelt dat er in de tekst van de overeenkomst geen aanknopingspunten te vinden zijn voor het standpunt van CSU. Integendeel, in de overeenkomst zijn – onder andere gelet op voornoemde geciteerde contractsbepaling - juist meer aanknopingspunten te vinden voor het standpunt van het hotel, namelijk dat alleen voor de daadwerkelijk verrichte werkzaamheden hoeft te worden betaald.

De rechtbank oordeelt dat CSU er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat het hotel de aanzienlijke kosten voor schoonmaak zou blijven doorbetalen in geval van tijdelijke sluiting van het hotel. Dat CSU bij haar prijsopgave is uitgegaan van een bepaalde frequentie levert geen verplichting voor het hotel op om maandelijks de publieke ruimtes te laten schoonmaken of daarvoor te betalen. Het is niet gebleken dat het hotel zich heeft verbonden tot een maandelijkse afname van de schoonmaakdiensten van CSU. De omstandigheid dat het hotel de publieke ruimtes voorafgaand aan de sluiting van het hotel wel maandelijks door CSU liet schoonmaken leidt ook niet tot een dergelijke verplichting.
De rechtbank vervolgt dat – ook al zou het hotel op basis van de overeenkomst wel verplicht zijn tot een maandelijks afname van de schoonmaakdiensten – het voorshands aannemelijk is dat het hotel een geslaagd beroep kan doen op onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat CSU naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst mag verwachten.

Tot slot oordeelt de rechtbank dat het hotel op basis van de algemene voorwaarden bij de overeenkomst en op grond van de redelijkheid en billijkheid wel gehouden is om met CSU in overleg te treden over een tijdelijke aanpassing van de tarieven van CSU. De geldende tarieven zijn immers gebaseerd op de verwachtingen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst en de situatie is door de pandemie ingrijpend gewijzigd. Een tijdelijke aanpassing van de tarieven ligt in de rede nu de dienstverlening duurder zal zijn bij een afgenomen vraag. Bovendien is redelijk dat CSU meer duidelijkheid krijgt over de verwachtingen van het hotel ten aanzien van de inzet van haar personeel gedurende de resterende looptijd van de overeenkomst. De bezettingsgraad is in de algemene voorwaarden uitdrukkelijk genoemd als omstandigheid die een prijsaanpassing rechtvaardigen.

Conclusie

De rechtbank komt tot het oordeel dat het hotel contractueel niet verplicht is tot afname van de schoonmaakdiensten. Van belang in deze uitspraak is dat de rechtbank overweegt dat het hotel mogelijk ook een geslaagd beroep had kunnen op onvoorziene omstandigheden (de uitbraak van de pandemie) die maken dat ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag worden verwacht. Deze uitspraak laat derhalve zien wat voor effect de huidige pandemie onder omstandigheden kan hebben op een contractuele relatie tussen partijen.

Romy Smit & Eliana Tuijn
Advocaten bij AKD Advocaten, notarissen en belastingadviseurs

Producttips

Volg F-Facts

Word gratis lid en ontvang op dinsdag en donderdag het laatste facility nieuws in uw mailbox! Én als lid krijgt u ook toegang tot exclusieve online artikelen.

Word lid van F-Facts Facility Platform