Logo
  • Achtergrond
  • 10 maart 2020
  • Peter van den Hout

Living Building: van iconisch naar multifunctioneel

Dynamisch, persoonlijk en circulair, drie ‘eigenschappen’ waarover gebouwen tegenwoordig moeten beschikken volgens ingewijden. Wat betekent dit precies voor gebouwontwerpers en -beheerders? En zitten eindgebruikers hier wel op te wachten? Deze vragen stonden centraal tijdens de paneldiscussie ‘The Living Building, het gebouw in constante beweging’.
Beeld Living Building: van iconisch naar multifunctioneel

De discussie maakte deel uit van de presentatie van de nieuwe Allura-collectie van Forbo Flooring Systems in IJver op de NDSM-werf aan de IJkade in Amsterdam-Noord. “Gebouwen veranderen onder invloed van trends, technologische ontwikkelingen, leegstand en woningtekorten steeds sneller van inrichting en bestemming,” aldus moderator Jeroen Junte. “Nieuwe bouwwerken zullen dus flexibel moeten zijn om toekomstige veranderingen, wensen en behoeften van de gebruikers en eigenaren te accommoderen. Daarnaast draagt het gebouw van nu steeds meer verschillende functies in zich, zoals ruimtes om naast het werk te ontspannen, eten of je in afzondering te concentreren. Anders gezegd neemt het gebouw meerdere identiteiten aan en is de beleving in die ruimtes steeds  belangrijker.”

Junte opent de discussie over het dynamische gebouw met een prikkelende vraag: wie zou de hoofdarchitect moeten zijn, de ontwerper van het gebouw of de interieurarchitect? “Als ik alleen al kijk naar de snelle wisselingen in de horeca en retail, dan ligt de nadruk sterk op de inrichting,” aldus interieurontwerper Jeroen Dellensen. Designer Simone Post haakt hierop in: “Om dit duurzaam mogelijk te maken, moeten we anders gaan ontwerpen. Alles moet zoveel mogelijk demontabel zijn, geschroefd en niet verlijmd. Als producent moet je bereid zijn om het product na een bepaalde gebruiksperiode terug te nemen of je moet de afnemer helpen bij het transformeren naar iets nieuws.”

Verloren waarde

Marjolein van Gelder van Forbo constateert dat er nog veel waarde verloren gaat in de keten: “We recyclen nog vooral relatief laagwaardig materiaal, wat ook nog eens veel energie kost om er een nieuw product van te maken.” Post: “Klopt, er is behoefte aan nieuwe productiemethoden voor betere recycling. We moeten pas overgaan tot ‘verpulveren’ van materiaal tot wanden of tafelbladen als we er echt niets anders meer mee kunnen doen.”

Volgens Ingrid van der Heijden van ontwerpbureau Civic Engineers is er ook vooruitgang te boeken bij de inrichting van een gebouw. “Zorg voor goede maatvoering in het casco van je gebouw. Houd daarbij rekening met toekomstige andere functies, dan kun je het interieur gemakkelijker hergebruiken als het eenmaal zover is.”

En de eindgebruiker dan?

Wim Pullen, directeur van het Centre for People and Buildings, mist de stem van de eindgebruiker in de discussie. “Het gebouw ‘leeft’ niet, het zijn de eindgebruikers die leven. Architecten moeten dus in de eerste plaats oor hebben voor hun wensen. Een voorbeeld van wat daar allemaal in mis kan gaan is het Rijkskantoor aan de Rijnstraat 8 in Den Haag, waar zo’n 7000 ambtenaren een nieuwe werkplek kregen. Daarom heb ik moeite met termen als het gezonde of levende gebouw, want je ziet tegelijkertijd in de ontwerpfase een totale  dehumanisering plaatsvinden van de mensen in het gebouw.”

Facility manager Sebastiaan Lagendaal van de Hermitage in Amsterdam merkt dat architecten soms te veel bezig zijn met de esthetische kant en de praktijk uit het oog verliezen. “Bij de herinrichting van  ons gebouw, een monumentaal pand uit de 17e eeuw, had de architect de voorkeur voor een bepaald vloertype uitgevoerd in Italiaans marmer. De leverancier had ons nota bene gewaarschuwd voor het risico dat de vloer zou kunnen beschadigen bij hoge grondwaterstanden. Toch heeft de architect dit doorgedrukt en nu ondervinden we de nadelen hiervan. Meer invloed vanuit de gebruikers – in dit geval facility – kan dus zeker geen kwaad.”

Flexibiliteit

De trend naar een meer dynamische inrichting van gebouwen spreekt Lagendaal overigens zeer aan. “Toen we jaren geleden het plan opstelden voor het Hermitage Museum dat gevestigd werd in een voormalig verzorgingstehuis uit de Gouden Eeuw, hadden we daarvoor een bestemming en functie in gedachten die in de loop der tijd behoorlijk is veranderd. Naast onze eigen wisselende collecties, is het gebouw uitgegroeid tot een culturele activiteiten-hub die ook plaats biedt aan andere musea zoals het Dolhuys en het Amsterdam Museum. Dat hadden we destijds nooit kunnen voorzien. Het is daarom handig om het gebouw en de inrichting zo flexibel mogelijk te maken.”

Hier komt nog bij dat De Hermitage in Amsterdam geen eigen vaste collectie heeft; ieder half jaar biedt het museum een compleet nieuwe ervaring met een nieuwe tentoonstelling. Lagendaal: “Flexibiliteit gaat hier hand in hand met hergebruik. In ons depot staat herbruikbaar hout en vitrineglas opgeslagen dat we voor iedere tentoonstelling weer kunnen inzetten en op maat maken. Hiermee voorkomen we dat we iedere keer peperdure nieuwe vitrines moeten laten maken.”

Dellensen ziet iets vergelijkbaars bij de herinrichting van het Felix Meritis-gebouw in Amsterdam,  waar hij bij betrokken is. “Dit gebouw dateert van het eind van de 18e eeuw en heeft een heel specifieke eigen sfeer en inrichting. Bij de renovatie en modernisering houden we daar natuurlijk rekening mee. Het is een monumentale eis dat alle nieuwe toevoegingen herkenbaar en ‘hard’ weg te halen zijn.”

In dialoog met de architect

De panelleden zien de laatste tijd een verschuiving plaatsvinden van het neerzetten van iconische gebouwen met een volstrekt eigen gezicht, naar multifunctionele en circulair ingestoken gebouwen. Gaat dit ten koste van de ‘persoonlijkheid’ en uniciteit van het gebouw? “De belangrijkste vraag is: hoe halen we maximale waarde uit het gebouw?,” aldus Lagendaal. “Welke extra mogelijkheden kunnen we potentiële gebruikers allemaal nog meer bieden?”
Van der Heijden haalt de LocHal in Tilburg als voorbeeld aan. Dit is een voormalige fabriekshal van de NS die is omgebouwd tot centrum voor kunst, cultuur en ontmoeting met De Bibliotheek Midden-Brabant als grootste gebruiker. “Dit openbaar toegankelijke gebouw is eigenlijk een uitbreiding van de stad, dat zou je kunnen zien als de belangrijkste functie. Door de historie heeft het tegelijkertijd  een volstrekt eigen identiteit.”

Ook Pullen gelooft in de multifunctionaliteit van gebouwen, maar in het geval van een kantoorfunctie wijst hij nogmaals op de eindgebruiker: “We moeten wel oog houden voor de behoefte aan privacy van gebruikers en het bewaken van hun persoonlijke comfortzones.” Junte besluit de discussie met de opmerking dat de eindgebruiker én facility in ieder geval voortdurend in dialoog moet blijven met de betrokken architecten om tot het juiste ontwerp en inrichting van een gebouw te komen.

Producttips

Volg F-Facts

Word gratis lid en ontvang op dinsdag en donderdag het laatste facility nieuws in uw mailbox! Én als lid krijgt u ook toegang tot exclusieve online artikelen.

Word lid van F-Facts Facility Platform