Logo
  • Opinie
  • 21 augustus 2017

Terugvordering significante stijging schoonmaakkosten?

Stel, u werkt al jaren met een schoonmaakbedrijf samen en u constateert ineens dat de kosten significant zijn gestegen. Kunt u dan een deel van het betaalde factuurbedrag terugvorderen?

Een vraag die centraal stond in een recente zaak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Partijen werken al jaren met elkaar samen. Op een gegeven moment constateert de opdrachtgever dat de afgelopen jaren de jaarlijkse schoonmaakkosten significant zijn gestegen van circa EUR 10.000 naar circa EUR 46.000 per jaar. De opdrachtgever heeft al die jaren die facturen wel betaald. Kan die alsnog een deel van het betaalde bedrag terugvorderen?

Wat speelde in de zaak? Sinds 2008 was het aantal schoonmaakwerkzaamheden ten opzichte van de voorgaande jaren flink toegenomen. De opdrachtgever heeft de facturen voor deze schoonmaakwerkzaamheden echter (zonder protest) betaald. Op de factuur stonden de werkzaamheden gespecificeerd. Daarnaast had het schoonmaakbedrijf werkbonnen met daarop de werkzaamheden, het bijbehorende tarief, het aantal verrichtingen en het totaalbedrag aan de opdrachtgever overhandigd, welke door de opdrachtgever waren geaccordeerd. In 2012 vorderde de opdrachtgever een bedrag terug. De opdrachtgever betwistte dat een deel van de gefactureerde schoonmaakwerkzaamheden was uitgevoerd. Daarnaast stelde zij dat zij geen opdracht of toestemming had gegeven voor het uitvoeren van meer schoonmaakwerkzaamheden en dat zij daartoe ook niet de wil heeft gehad.

Werkzaamheden wel verricht?

De opdrachtgever stelde dat het schoonmaakbedrijf maar moest bewijzen dat alle gefactureerde werkzaamheden daadwerkelijk waren uitgevoerd. Het Hof was het daar niet mee eens. Het was immers de opdrachtgever die een deel van het reeds door haar betaalde bedrag terugvorderde op grond van onverschuldigde betaling. Reden waarom de bewijslast en het bewijsrisico van die stellingen op de opdrachtgever ligt. De opdrachtgever had diverse getuigenverklaringen overgelegd. Diverse getuigen hadden hun ongeloof over de omvang van de extra werkzaamheden uitgesproken. Geen van de getuigen heeft echter daadwerkelijk geconstateerd en uit eigen wetenschap kunnen verklaren dat er door het schoonmaakbedrijf meer werkzaamheden in rekening zijn gebracht dan dat er zijn uitgevoerd. De enkele omstandigheid dat de getuigen niet hebben gezien dat er geen extra werkzaamheden zijn uitgevoerd, betekent niet dat die werkzaamheden niet zijn verricht. 

Het schoonmaakbedrijf gaf bovendien ook een verklaring voor de stijging. Het schoonmaakbedrijf verklaarde dat de opdrachtgever had benadrukt dat de zaak goed schoon moest zijn. Daarin had het schoonmaakbedrijf een aansporing gezien om de intensiteit van de schoonmaakwerkzaamheden op te voeren. De opdrachtgever bevestigde ook dat zij het bedrijf gestimuleerd had om de kwaliteit van de schoonmaakwerkzaamheden te verbeteren. De opdrachtgever had bovendien niet weersproken dat de kwaliteit van de schoonmaakwerkzaamheden sinds 2008 ook substantieel was gestegen. Reden waarom het Hof dan ook oordeelde dat de opdrachtgever niet had bewezen dat de door het schoonmaakbedrijf in rekening gebrachte werkzaamheden niet waren uitgevoerd.

Toestemming voor extra werkzaamheden?

Er waren meer werkzaamheden verricht en gefactureerd dan partijen in 1996 waren overeengekomen. De rechtbank had in eerste aanleg al geoordeeld, dat het schoonmaakbedrijf echter de gang van zaken zo heeft mogen opvatten dat de opdrachtgever alsnog instemde met deze (buitencontractueel) verrichte en gefactureerde schoonmaakwerkzaamheden. Gelet op de werkbonnen en facturen kon er immers geen onduidelijkheid bestaan over de aard en omvang van de verrichte en in rekening gebrachte werkzaamheden. Dat de opdrachtgever kennelijk heeft nagelaten de werkbonnen en facturen goed te bekijken, blijft haar risico, aldus het Hof. De opdrachtgever heeft bij het schoonmaakbedrijf het vertrouwen gewekt dat zij met het verrichten van extra schoonmaakwerkzaamheden instemde. Reden waarom de opdrachtgever jaren later niet een beroep kan doen op het ontbreken van een met haar gedragingen overeenstemmende wil. De opdrachtgever werd dus in het ongelijk gesteld. De rechtbank had de vordering van de opdrachtgever in eerste aanleg ook al afgewezen, welk vonnis door het Hof werd bekrachtigd.

De uitspraak wijst wederom op het belang van bewijs. Ook komt hierin goed naar voren dat in gedragingen een aanvaarding van een aanbod kan liggen. Het toont voorts aan dat geaccordeerde werkbonnen en reeds betaalde facturen van belang kunnen zijn wanneer er discussies bestaan over verrichte werkzaamheden en de omvang van een opdracht.

Producttips

Volg F-Facts

Word gratis lid en ontvang op dinsdag en donderdag het laatste facility nieuws in uw mailbox! Én als lid krijgt u ook toegang tot exclusieve online artikelen.

Word lid van F-Facts Facility Platform