Logo
  • Achtergrond
  • 15 september 2003
  • Peter van Scheijndel en Peter Voskamp

NEN-EN 1335: Beoordelingssysteem voor goed meubilair

De NEN 1812, de norm voor een ergonomische kantoorstoel, is verdwenen. Daarvoor in de plaats is per 1 januari 2003 de Europese stoelennorm NEN-EN 1335 deel 1,2 en 3 gekomen. In dit artikel komen de consequenties van deze normwisseling aan de orde. Om de facility manager te ondersteunen in de keuze voor goed meubilair, wordt een beoordelingssysteem voorgesteld. Hiermee kan objectief vastgesteld worden welke stoelen voor de specifieke populatie in Nederland voldoen.

Reeds in de zeventiger jaren van vorige eeuw zijn pogingen ondernomen om één Europese norm voor kantoormeubelen te formuleren. Hoewel de eerste poging om tot een Europese norm te komen begin jaren tachtig mislukte, zijn de fabrikanten aan het begin van de negentiger jaren van vorige eeuw opnieuw gestart. Net als in de zeventiger jaren op dezelfde manier: proberen de grootste gemene deler te vinden van de verschillende nationale stoelennormen. Daarbij werd nauwelijks rekening gehouden met ergonomie. Ook via de Europese Normcommissie voor ergonomie (CEN / Technische Commissie 122 'Ergonomics') bleek het niet mogelijk om in de taakstelling de aandacht voor de ergonomisch aspecten van kantoorstoelen te laten opnemen: de macht van de Europese kantoormeubelfabrikanten was te groot.

Europese afspraak

Het is afspraak tussen de CEN1 en de nationale Europese normalisatie-instellingen dat als er gewerkt wordt aan een Europese Norm er op dat onderwerp geen nationale (afwijkende) normen mogen uitgebracht worden ('standstill agreement'). Vandaar dat na het uitkomen van de NEN 1812 tweede druk in 1990 er geen nieuwe versie meer uitgebracht kon worden. In 2000 heeft NEN getracht dit toch te doen en is gelijk door CEN op de vingers getikt, hetgeen geresulteerd heeft in het intrekken van de NEN 1812 medio 2002. Op dat moment werd er in de Nederlandse wetgeving verwezen naar de NEN 1812, die niet meer bestond. Per 01-01-2003 zijn de verwijzingen in de beleidsregels 5.4 Arbo-besluit en 5.1 Arboregeling, naar de NEN 1812 type HAV of HRAV vervangen door de NEN-EN 1335-1 type A. Arbowettelijk gezien moet een kantoorstoel vanaf dit moment dus minimaal voldoen aan de NEN EN 1335-1 type A.

Bestaat dé goede stoel?

De vraag die een facilitair manager zich op dit moment echter moet stellen is of een stoel die voldoet aan de minimale eisen uit NEN-EN 1335, wel geschikt is om als projectstoel voor alle medewerkers in te kopen. Antwoord op die vraag kan alleen gegeven worden als we nog iets verder inzoomen op de geldende regelgeving en stand van de ergono-mie.

De Arbowet (artikel 3 lid 1c en artikel en beleidsregel van het arbobesluit 5.4 lid 1a) stelt nadrukkelijk eisen met betrekking tot het aanpassen van de arbeidsmiddelen aan de individuele eigenschappen van de medewerker. Ongeacht de lengte of bouw van de medewerker dient de kantoorstoel individueel instelbaar te zijn aan de lichaamsbouw en aan het werk van de medewerker.

De Nederlandse beroepsbevolking wordt gekenmerkt door een brede spreiding in lichaamsbouw. We kennen een grote groep kleine vrouwen en een grote groep lange mannen. Vanuit facility managementoverwegingen is het van belang dat een zo hoog mogelijk percentage medewerkers gebruik kan maken van hetzelfde kantoormeubel. Dit stelt hogere eisen aan de verstelmogelijkheden van de standaard kantoorstoel dan omschreven in NEN-EN 1335-1. Niet alleen de grote spreiding in lichaamslengte maakt de Nederlandse beroepsbevolking uniek. Ook het type werk verschilt van het type werk in andere Europese staten. In Nederland is het aandeel beeldschermwerk het hoogst ten opzichte van alle andere landen in Europa (Paoli, 20002). In Nederland werkt 33% van de beroepsbevolking bijna fulltime aan een beeldscherm, terwijl het Europese gemiddelde op 19% ligt. In Duitsland is dit slechts 11%. Beeldschermwerk is een soort arbeidsbelasting dat extra hoge eisen stelt aan de vorm en instelbaarheid van de armleggers om de nek / schouder belasting tijdens het werk te verminderen.

Een stoel die alleen voldoet aan NEN-EN 1335-1 is maar geschikt voor slechts 50% van de Nederlandse beeldschermwerkers (bron: NPR 18133). Voor de overige 50% zal een organisatie bij de keuze voor een stoel met beperkte instelmogelijkheden, andere stoelen moeten aanschaffen. Indien men dit nalaat voldoet men dus niet aan artikel 3 van de Arbowet en artikel 5.4 van het Arbobesluit én loopt men een verhoogd risico op werkgerelateerde klachten en verzuim in de organisatie.

Aanvullende ergonomie richtlijnen

Omdat het NEN realiseerde dat de Europese norm een inhoudelijke beperking is ten opzichte van de NEN 1812 is gelijktijdig met het van kracht worden van de NEN-EN 1335-1 de NPR 1813 vernieuwd. Bij NEN leefde het idee de inhoud van de NEN 1812 over te hevelen naar deze NPR 1813, zodat de eisen voor een ergonomische stoel toch in een normaliserend document konden worden neergelegd. Het Ministerie van SZW heeft echter besloten dat er in een beleidsregel alleen verwezen kan worden naar de NEN-EN 1335-1 en niet naar de NPR 1813. De NPR 1813 heeft daarmee slechts een informatief en voorlichtend karakter en geen normatieve waarde.

In de nieuwe NPR 1813 worden aanbevelingen voor instelbereiken gedaan die tegemoet komen aan de grote spreiding in de Nederlandse beroepsbevolking en de hoge intensiteit aan beeldschermwerk. Indien een stoel voldoet aan NPR 1813, is de stoel geschikt voor 90% van de Nederlandse beroepsbevolking. Deze aanbevelingen gaan veel verder dan de voormalige NEN 1812 en zijn te zien als het ergonomie-wensenpakket voor toekomstige kantoorstoelen. In de praktijk blijkt dat er nog geen stoelen op de markt zijn die integraal aan alle eisen uit de NPR 1813 kunnen voldoen.

113-33-T1-small.jpgIn schema 1 is een overzicht opgenomen van de belangrijkste eisen en wensen uit de verschillende normen. Het blijkt dat ondanks de overeenkomst op een aantal punten er vele verschillen zijn. Zoals eerder aangegeven verschilt de NEN-EN 1335-1 het meest van de andere normen. Dit is niet verbazingwekkend aangezien de NEN 1812, NPR 1813 en de AI-2 normen betreffen met ergonomie inbreng, terwijl de NEN-EN 1335-1 geen ergonomie norm is.

Vhp beoordelingssysteem

Vhp ergonomie heeft met een aantal grote organisaties een beoordelingssysteem voor kantoorstoelen ontwikkeld. Het systeem bestaat uit ergonomische wensen voor een goede kantoorstoel en, met daaraan verbonden een beoordelingssystematiek. Uitgaande van het feit dat er nog geen enkele stoel op de markt is, waarin alle ergonomische wensen integraal gerealiseerd zijn, dient het niet voldoen aan een bepaalde wens op zijn merites te kunnen beoordelen.

BEELDSCHERMWERK VEREIST AANPASMOGELIJKHEDEN

Dat betekent dat een geringe afwijking minder ernstig is dat een groter afwijking. Ook verschilt het belang van de afwijking tussen de verschillende functies van de stoel. Het door vhp ergonomie ontwikkelende 113-33-T2-small.jpgbeoordelingssysteem weegt de mate van afwijking en het ergonomische belang van de afwijking. Uitgangspunt is dat het instelbereik minimaal moet voldoen aan de norm (NEN-EN 1335-1, type A). Indien de instelmogelijkheid groter is dan aangegeven in de norm ver-werft de stoel bonuspunten. Indien de stoel aan de eisen zoals gesteld in NPR 1813 en AI-2 voldoet krijgt de stoel het maximaal aantal punten. Het beoordelingssysteem is opgenomen in schema 2.

Niet alle beoordelingscriteria van de NEN 1335-1, NPR1813 en AI-2 worden meegenomen in de beoordelingmethode. Alleen de parameters die vanuit oogpunt van ergonomie onderscheidend zijn, worden beoordeeld in de methode. Met name het versteltrajecten en uitvoering van de armsteunen worden in het systeem meegewogen.
Stoelen die 'voldoende' beoordeeld worden, voldoen aan een minimum puntenscore van 29 punten. Deze drempelwaarde komt als het ware overeen met een rapportcijfer van 6. Hieronder worden de parameters van het beoordelingssysteem verder uitgewerkt

Verschillen tussen NEN 1812 en NEN-EN1335

Een paar opvallende verschillen tussen de NEN 1812 type HAV (uit 1990) en de NEN-EN 1335-1 type A zijn:

  • NEN 1812 type HAV gaf een voorschrift voor een bolling in het onderste deel van de rugleuning (de lendensteun); dit voorschrift is vervallen in de EN 1335-1,
  • NEN 1812 type HAV ging uit van een hoge rugsteun; de EN 1335 laat ook een lage rugsteun toe,
  • het grootste verschil zit in de armondersteuning, de laatste jaren is dit erg belangrijk geworden bij het voorkomen van RSI; de NEN-EN 1335-1 laat het toe dat er niet in hoogte verstelbare armsteunen gebruikt worden; indien voor de variant met in hoogte verstelbare armsteunen wordt gekozen, is het minimale versteltraject erg kort en mogen de armstenen te dicht bij de kantoorwerktafel geplaatst worden; ook is de verstelmogelijkheid van de ruimte tussen de armsteunen niet vereist en is zelfs geen optie in de EN 1335-1.

Zithoogte en -diepte verstelling (max. 6 punten)

Zithoogte moet aangepast kunnen worden aan de onderbeenlengte en schoeisel. Bij de standaard gasveer van 12 cm kan de stoel vaak niet hoog genoeg. De zitdiepteverstelling is noodzakelijk om de onderbenen voldoende steun te geven. Te veel zitdiepte is niet goed omdat mensen de rugleuning niet goed kunnen bereiken en te weinig zitdiepte wordt als erg oncomfortabel beschouwd. De instelbereiken voor zowel de zitdiepte als de zithoogte moeten voor de Nederlandse beroepspopulatie ruimer zijn, dan in de norm aangegeven.

Armsteunen (max. 21 punten)

Armsteunen zijn in verband met intensief beeldschermwerk en het werken met de muis belangrijk geworden. De elleboog en het eerste deel van de onderarm moeten goed kunnen rusten tijdens het muisgebruik.
Belangrijke aandachtpunten zijn daarbij :

  • de uitvoering moet breed en zacht uitgevoerd zijn; de 4 cm uit de NEN-EN 1335-1 erg krap,
  • breedte verstelling is noodzakelijk omdat de ellebogen direct naast het lichaam ondersteund moeten worden; bij veel stoelen kunnen de armsteunen niet ver genoeg naar binnen, zodat tengere mensen geen steun krijgen,
  • de armleggers mogen niet te ver naar voren uitsteken; wanneer de armsteunen ver naar voren komen kunnen minder dikke mensen niet goed aanschuiven aan de werktafel; dit compenseren zij door voorover te buigen of door de armen te strekken; beide houdingen kunnen tot klachten leiden,
  • de hoogteverstelling van de armsteunen dient ruimer te zijn dan de norm; de meeste armsteunen kunnen vaak niet hoog genoeg om de ellebogen te ondersteunen; een ruim versteltraject is daarom nodig.

Rugleuning (max. 4 punten)

Het bolle deel van de rugleuning (de lendensteun) moet goed passen bij de vorm van de rug van de medewerker. Voor de lange Nederlandse populatie is een grotere hoogteverstelbaarheid van de lendensteun daarom essentieel. De breedte van de rugleuning mag daarnaast niet te breed zijn om de bewegingsvrijheid van de ellebogen niet te belemmeren.

Bewegingsmechanisme (max. 5 punten)

Een goed ontworpen bewegings-mechanisme wordt vaker door de medewerkers gebruikt. Een bewegingssysteem moet altijd vast te zetten zijn en instelbaar zijn op het gewicht van de gebruiker. Uit studies blijkt dat afschuifkrachten het minst zijn bij een vast kantelmechanisme met een vaste constante hoek tussen rugleuningen zitting. Tevens bevordert dit mechanisme de doorbloeding in de benen, door de werking van de spierpomp in de kuiten.

Conclusie

De NEN 1812 heeft ervoor gezorgd dat in Nederland, anders dan in de rest van Europa, het gebruik van een ergonomische kantoorstoel algemeen en onomstreden is geworden. In principe zal de vraag naar ergonomische kantoorstoelen door het wegvallen van de NEN 1812 niet verminderen. De stijgende lijn in de gezondheidsklachten t.g.v. beeldschermwerk vormt nog steeds een goede reden om aandacht aan ergonomie te blijven schenken. Door het wegvallen van de NEN 1812 zullen de gebruikers hun eigen wensenpakketten gaan opstellen en neerleggen bij de leveranciers. Deze pakketten zullen onderling verschillen, zodat de leveranciers veel meer maatwerk moeten gaan leveren.

Voor het beoordelen van de stoelen die aangeboden worden is nog geen beoordelingssysteem bekend. Vhp ergonomie wil met het publiceren van haar beoordelingssysteem, uniforme richtlijnen bieden aan inkopers en leveranciers. Hierdoor wordt de leemte tussen Europese normgeving en ergonomie opgevuld en kan objectief bepaald worden welke stoelen voldoen aan minimale ergonomie eisen.

Noot

1 Comité Européen de Normalisation (Europese Normalisatie-instituut)

2 Paoli, European Foundation for the improvement of the living and working condition, 2000

3 Nederlandse Praktijkrichtlijn 1813 Ergonomische uitgangspunten voor kantoormeubelen en aanwijzingen voor het gebruik, januari 2003

Producttips

Volg F-Facts

Word gratis lid en ontvang op dinsdag en donderdag het laatste facility nieuws in uw mailbox! Én als lid krijgt u ook toegang tot exclusieve online artikelen.

Word lid van F-Facts Facility Platform