Logo
  • Achtergrond
  • 14 oktober 2004
  • Gert Harm ten Bolscher

Een goed binnenmilieu en minimale energiekosten

Hoewel de waarde van een goed binnenmilieu theoretisch wordt onderkend, blijft de praktische waardering onderschikt bij nieuwbouw en renovatie. Terwijl juist energie-efficiënte of duurzame energiesystemen vaak bijdragen aan de realisatie van een beter binnenmilieu.

Een goed binnenmilieu heeft een positieve invloed op het welbevinden van de gebouwgebruikers. Dat vertaalt zich in een lager ziekteverzuim, een hogere productiviteit en een betere productkwaliteit. Hoewel de waarde van een goed binnenmilieu theoretisch wordt onderkend, blijft de praktische waardering onderschikt bij nieuwbouw en renovatie. Terwijl juist energie-efficiënte of duurzame energiesystemen vaak bijdragen aan de realisatie van een beter binnenmilieu. Een open deur of tijd voor herbezinning?

De afgelopen jaren zijn diverse publicaties verschenen over onderzoeken naar de relatie tussen de kwaliteit van het binnenmilieu en het welbevinden van de mensen die in het gebouw werken (zie ook tabel 1). De onderzoeken tonen aan dat een beter welbevinden zich direct vertaalt in minder gezondheidsklachten (dus een lager ziekteverzuim), een verhoging van de productiviteit en een betere productkwaliteit. Een goed binnenmilieu is daarmee een belangrijk economisch en maatschappelijk aandachtspunt (geworden).

Tabel 1. Kengetallen voor effecten van het binnenmilieu in kantoren op het menselijk welbevinden.

Visitekaartje of productiemiddel?

De relatie tussen de kwaliteit van het binnenklimaat en het welbevinden van de gebruikers is aangetoond en heeft dus een duidelijke economische en sociale waarde. Deze waarde is fors en overtreft de bekende waarden van energiebesparing (reductie energiekosten) en ‘duurzaam’ bouwen. De economische en sociale waarde wordt echter nog niet (of minimaal) ingebed in het bouwproces.

In de huidige benadering wordt het gebouw nog vaak gezien als een vorm van huisvesting c.q. onderdak en veelal ook als een visitekaartje dat vooral aan de buitenkant en rond de entree er goed uit moet zien. Een gebouw is daarmee een noodzakelijk kwaad dat geld kost en alleen interessant is vanuit vastgoedbelegging. Ietwat gechargeerd misschien, maar toch.

Wanneer rekening wordt gehouden met de effecten van het binnenmilieu op het welbevinden van de gebouwgebruikers is het gebouw echter een ‘productiemiddel’ geworden en dient daarom een positieve bijdrage te leveren aan de processen die er plaatsvinden. Een gevolg van deze benadering is dat de aard van de activiteiten en de mensen die deze activiteiten verrichten een uitgangspunt vormen bij het ontwerp van het gebouw en de installaties. Voor een kantoorgebouw van een financiële dienstverlener kunnen bijvoorbeeld de volgende uitgangspunten gehanteerd worden: geconcentreerd werken, zo min mogelijk stressverhogende prikkels uit de

ER ZIJN MEERDERE CONCEPTEN DENKBAAR

gebouwomgeving, ruimtes die stimuleren tot overleg en (interne) kennisoverdracht, een binnenklimaat dat gericht is op medewerkers die een mentale inspanning moeten leveren en in een ander bouwdeel een binnenklimaat voor medewerkers van een call-centre et cetera. Voor een industrieel productiebedrijf gelden weer andere uitgangspunten: een constant en goed lichtniveau op de assemblageplaatsen, een constant temperatuurniveau, zo min mogelijk stressverhogende prikkels uit de gebouwomgeving, effecten van vervuilingsbronnen minimaliseren enz. Deze insteek lijkt een open deur, maar de praktijk leert dat de medewerkers en vaak ook de processen minder relevant worden geacht dan bijvoorbeeld de visitekaartjesfunctie. Een gevolg daarvan is dat in de gebruiksfase achteraf allerlei problemen opgelost moeten worden op een manier die veel weg heeft van ‘redden wat er nog te redden valt’. Een gemiste kans, want in één keer iets goed doen is nog altijd goedkoper en effectiever en levert minder frustraties op.

Bandbreedte

De relaties tussen het gebouw, de gebouwfunctie, de kwaliteit van het binnenklimaat, de gebruikers en de productiviteit zijn complex en beïnvloeden elkaar over en weer. In een kantoor dat volledig mechanisch geklimatiseerd wordt (klimaat door technische systemen geregeld) is de bandbreedte van het temperatuurgebied dat medewerkers in de zomerperiode nog aangenaam vinden beduidend smaller dan in een kantoor waarin men bijvoorbeeld een raam of rooster open of dicht kan zetten. Het zelf kunnen beïnvloeden van het binnenklimaat draagt dus bij aan een betere comfortbeleving. De volgende vraag is dan welk aspect bijdraagt aan de betere comfortbeleving. Het binnenklimaat is namelijk afhankelijk van temperatuur (warmte, koude, regelbaarheid), ventilatie (frisse lucht, CO2, fijn stof, relatieve vochtigheid), geluid (achtergrondbelasting, bronbelasting), licht (daglicht, kunstlicht, verlichtingsniveau) en beleving (buitenruimte).

Aanpassingsvermogen

De reacties van mensen op onbehaaglijke omgevingscondities zijn cruciaal bij het ontwerp van het gebouw en de installaties met het oog op het welbevinden van de toekomstige gebruikers.
Als er een verandering optreedt die een thermische onbehaaglijkheid veroorzaakt, reageren mensen op zo’n wijze dat hun thermische behaaglijkheid wordt hersteld. Dit kan op drie manieren:

  • gedragsmatige aanpassing (gericht op het herstel van de warmtebalans van het lichaam), die bestaat uit drie vormen:
    • persoonlijk (andere kleding, meer of minder drinken, kouder of warmer drinken nuttigen),
    • technisch (ramen open of sluiten, aanpassen ventilatie, zonwering),
    • organisatorisch (rooster aanpassen, kledingvoorschriften minder strikt hanteren),
  • fysiologische aanpassing (aanpassing door het lichaam zelf, bijvoorbeeld acclimatisatie),
  • psychologische aanpassing (accepteren dat het in de zomer nu eenmaal warmer is).

Dit vraagt om een andere benadering van het ontwerpproces, een benadering die het beste gekarakteriseerd kan worden met de term ‘functioneel integraal ontwerpen’. Een aanpak die verder gaat dan het huidig begrip van ‘integraal ontwerpen’, waarbij namelijk hoofdzakelijk aandacht wordt geschonken aan de interacties tussen de disciplines die betrokken zijn bij het ontwerp en de realisatie van het gebouw.

Financiële voordelen

Is het in een tijd waarin de conjunctuur zich minder positief ontwikkeld, de energiekosten stijgen en de overheid allerlei instrumenten ontwikkeld om organisaties te stimuleren om het energiegebruik terug te dringen (zie kader 1 en 2) wel zinvol om aandacht te vragen voor een comfortabel binnenmilieu? Alleen vanuit het oogpunt van reductie van het ziekteverzuim en een verbetering van de productiviteit verdient een gebouw met goed binnenmilieu zichzelf meestal dubbel en dwars terug. Aardig detail hierbij is dat juist energie-efficiënte of duurzame energiesystemen bijna altijd bijdragen aan de realisatie van een beter binnenmilieu. Daarmee snijdt het mes aan meerdere kanten: een beter binnenmilieu, lagere energiekosten en financiële voordelen (fiscale regelingen en soms subsidies) voor organisaties die investeren in energiezuinige technieken.

Kader 1. Energie in de Wet milieubeheer

In de Wet milieubeheer eist de overheid dat bedrijven maatregelen nemen om onnodig energiegebruik tegen te gaan. Hierbij wordt gewerkt volgens het zogenaamde ALARA-principe: 'as low as reasonably achievable' oftewel 'zo laag als redelijk haalbaar is'. Bij aanvraag van de vergunning vergelijkt de gemeente het energiegebruik met het gemiddelde van de branche. Van de vergunninghouder wordt verwacht dat alle maatregelen worden genomen die in de branche al redelijk gemeengoed zijn. Daarnaast wordt van de vergunninghouder verwacht dat een bepaalde vorm van energiebeheer wordt toegepast.

124-23-T1-small.jpgEen voorbeeld van een energie-efficiënt installatieconcept dat bijdraagt aan een comfortabel binnenklimaat is een systeem op basis van een warmtepomp (voor verwarming), energieopslag in de bodem (voor koeling als warmtebron voor de warmtepomp), vloer- en plafondverwarming (voor afgifte van warmte of koude) en een ventilatiesysteem op basis van bijvoorbeeld verdringingsventilatie. Hiermee worden ruimtes op een aangename manier verwarmd en gekoeld en ontstaan geen tochtklachten. In combinatie met hoge ramen, voor voldoende daglichttoetreding, en een daglichtafhankelijke regeling ontstaat een goed basisconcept voor een utiliteitsgebouw. Er zijn echter meerdere concepten denkbaar, bijvoorbeeld op basis van klimaatgevels of natuurlijke ventilatie. De verdere invulling en detaillering is afhankelijk van de specifieke gebouwfunctie en de wensen van de investeerder c.q. gebruiker. Vervolgens blijft dan nog steeds de afweging over: zelf investeren en exploiteren van het energiesysteem of een marktpartij (bijvoorbeeld een energiebedrijf of installatiebedrijf) de investering en exploitatie laten verzorgen? Met name bij de selectie van een energieleverancier kan dit een relevant aandachtspunt zijn. Overigens is het altijd goed om bij de keuze van een energieleverancier de markt zijn werk te laten; mijn ervaring is dat een energiekostenreductie van 10% eerder regel dan uitzondering is als energielevering in concurrentie wordt aangeboden.

Zelf investeren of aan een ander laten?

De keuze tussen het zelf realiseren en exploiteren van een energiesysteem of de investering en exploitatie over laten aan een marktpartij, bijvoorbeeld een energiebedrijf of een installatiebedrijf is uiteraard afhankelijk van interne afwegingen van de gebouweigenaar.

Daarbij kunnen de volgende aandachtspunten nog een rol spelen:

  • welke subsidiemogelijkheden en fiscale regelingen zijn er beschikbaar en welke partijen kunnen daar gebruik van maken? de energie investeringsaftrek (EIA) geldt bijvoorbeeld niet voor non-profit organisaties; bij provinciale of Europese regelingen kan de vestigingsplaats bepalend zijn of er subsidie mogelijk is,
  • bij het benutten van subsidies is het belangrijk om rekening te houden met de indieningstermijn, cumulatiebepalingen of stapelbaarheid van regelingen, opdrachtverstrekking voor of na de aanvraag enz,
  • wanneer sprake is van aparte investerings- en exploitatiebudgetten dient afstemming plaats te vinden over aanpassing van de budgetten, omdat de initiële meerinvesteringen terugverdiend worden dankzij lagere exploitatiekosten,
  • groene financiering kan een aantrekkelijke optie zijn voor investeringen in energiezuinige systemen,
  • lease van een energiezuinige installatie kan interessant zijn met het oog op vermeden investeringskosten of omdat dankzij deze constructie toch gebruik kan worden gemaakt van IEA-voordeel (bijvoorbeeld school of gezondheidszorginstelling),
  • outsourcing van alle energiediensten als onderdeel van het beleid van de organisatie; deze variant komt steeds vaker voor, waarbij energiebedrijven of installatiebedrijven energiediensten aanbieden (levering van verwarming, koeling en verlichting); dit kan ook interessant zijn met het oog op vermeden investeringskosten of omdat dankzij deze constructie toch gebruik kan worden gemaakt van IEA-voordeel.

Praktijk

De theorie is duidelijk. Krijgen gebouwinvesteerders echter niet de maken met de bekende weerbarstigheid van de praktijk tijdens de realisatie? Ontegenzeggelijk is de praktijk van alle dag minder plooibaar dan wenselijk is. Toch is op verschillende plaatsen al bewezen dat een ontwerp waarin op evenwichtige wijze aandacht wordt geschonken aan economische, sociale en milieutechnische aspecten. Een voorbeeld is de Thermo-Staete in Bodegraven. Dit kantoorgebouw is ontworpen onder het motto ‘Meer met minder’ (meer mensvriendelijk, minder milieubelastend en extreem energiezuinig systeem). Het pand is voorzien van het eerder genoemde basisconcept voor een utiliteitsgebouw. Daarnaast is een atrium toegepast onder andere vanuit energetische overwegingen, de extra daglichttoetreding en de ruimtelijke beleving. In diverse onderzoeken scoort het gebouw goed tot zeer goed als het gaat om het binnenmilieu en de waardering ervan door de medewerkers.

Beslisschema

Bij bestaande situaties waarin sprake is van een gebouweigenaar en gebouwhuurders kan een discussie ontstaan over de vraag welke partij verantwoordelijk is voor investeringen in maatregelen die toegepast worden om de energie-efficiëntie te verbeteren, bijvoorbeeld in het kader van de Wet milieubeheer (zie kader 1) of als gevolg van de EPBD (zie kader 2).

Kader 2. Europese richtlijn: ‘Energy Performance Building Directive’ (EPBD).

Op 4 januari 2003 is de Europese richtlijn ‘Energy Performance Building Directive (EPBD)’ van kracht geworden. Het doel van deze richtlijn is het bevorderen van betere energieprestaties van gebouwen in de Europese gemeenschap. Uitwerking van de richtlijn voor de Nederlandse situatie en daadwerkelijke implementatie in Nederland valt onder de verantwoordelijkheid van de minister van VROM.

In januari 2006 zal de Europese richtlijn ‘Energy Performance Building Directive’ (EPBD) in de nationale regelgeving geïmplementeerd moeten zijn. Deze richtlijn stelt onder andere eisen waaraan de nationale energieprestatieregulering moet voldoen. Deze richtlijn heeft zowel gevolgen voor de woningbouw als de utiliteitsbouw.
De eisen hebben betrekking op 5 segmenten, met de volgende aandachtspunten:

  • energetische eisen en een verplicht energiecertificaat bij nieuwbouw (dus de hele nieuwbouwvoorraad),
  • energetische eisen bij ingrijpende renovatie (gebouwen met een bruikbaar oppervlak groter dan 1.000 m2),
  • een verplicht energiecertificaat voor de bestaande bouw (totale bestaande bouw),
  • verplichte haalbaarheidsstudie naar alternatieve energiezuinige systemen (nieuwbouw met een bruikbaar oppervlak groter dan 1.000 m2),
  • periodieke keuring van ketels en installatie (woningbouw- en utiliteitsbouw).

Bij de invoering van de EPBD zal maximaal gebruik wordt gemaakt van zowel bestaande wet- en regelgeving als van het bestaande instrumentarium zoals EPN, EPA en kwaliteitsborgingssystemen (BRL's). Voor de uitvoering van de eisen in de richtlijn werkt Nederland al langere tijd aan passend instrumentarium: het energieprestatie-advies voor de woningbouw (EPA-W) en voor de utiliteitsbouw (EPA-U).

Om de huurder en verhuurder een helpende hand te bieden, is in opdracht van (toen nog) Novem een beslissingsondersteunend model ontwikkeld, waarmee de technisch, economisch en juridisch meest optimale oplossing bepaald kan worden voor verschillende situaties (in de vorm van een beslisschema met toelichting). Het schema en de toelichting biedt handvatten om duidelijkheid te krijgen bij investerings- en exploitatievraagstukken tussen huurder en verhuurder rond toepassing van energie-efficiënte maatregelen in de utiliteitsbouw.

Het beslisschema is zo opgezet dat de gebruiker aan de hand van een aantal vragen, die met ‘ja’ of ‘nee’ beantwoord kunnen worden, uiteindelijk terecht komt bij een advies voor de investering in en de exploitatie van een energiebesparende maatregel (analoog aan de bekende schema’s van de Belastingdienst). Vervolgens kan de gebruiker een ‘Toelichting’ raadplegen die een uitgebreide beschrijving geeft van de mogelijkheden, een overzicht met aandachtspunten en tips, suggesties voor oplossingsroutes, een rekenvoorbeeld en een plan van aanpak. Het beslisschema kan opgevraagd worden bij de auteur. Bij bestaande gebouwen kan de optie uitbesteden van de realisatie en exploitatie van een efficiënt energiesysteem dat bijdraagt aan een beter binnenklimaat interessant zijn: de voordelen van een beter binnenmilieu kunnen direct benut worden zonder dat daar forse investeringen tegenover staan. Ook in bestaande situaties kan dit aspect een relevant aandachtspunt zijn bij de selectie van een energieleverancier, hierbij kan de marktwerking nog eens extra voordeel opleveren.

Een goed binnenmilieu en minimale energiekosten: een contradictio in terminis? Bij een traditionele benadering gaan die twee zeker niet samen. Een volledig integrale benadering resulteert echter in winst voor de medewerkers, de organisatie en het milieu.

Auteur

Ir. G. H. ten Bolscher is vestigingsmanager van de vestiging Rijssen van DWA installatie- en energieadvies. DWA is als installatieadviseur betrokken bij het ontwerp en de begeleiding van de uitvoering van gebouwinstallaties waarbij een functioneel en aangenaam binnenklimaat en energie-efficiëntie centraal staan; bolscher@dwa.nl

Producttips

Volg F-Facts

Word gratis lid en ontvang op dinsdag en donderdag het laatste facility nieuws in uw mailbox! Én als lid krijgt u ook toegang tot exclusieve online artikelen.

Word lid van F-Facts Facility Platform