Logo

Hergebruik centraal bij tijdelijke rechtbank Amsterdam

  • Duurzame huisvesting
Een deel van de rechtbank van Amsterdam aan de Parnassusweg bleek niet meer te voldoen aan de eisen van deze tijd. Daarom besloot het Rijksvastgoedbedrijf tot nieuwbouw. In de tussentijd moest de rechtbank wel blijven functioneren. Daarom werd een tijdelijke rechtbank voor vijf jaar neergezet. Belangrijk daarbij waren dat, naast de goede functionaliteit, ook de uitstraling en het tegengaan van verspilling geborgd werden, onder meer door zoveel mogelijk hergebruik te stimuleren.
Beeld Hergebruik centraal bij tijdelijke rechtbank Amsterdam

Erik Tuijp is hoofd bedrijfsvoering bij de stafdienst van de rechtbank in Amsterdam en programmamanager voor de nieuwbouw. Onderdeel van die nieuwbouw is de tijdelijke nieuwbouw voor een periode van vijf jaar. “Ik ben vanaf 2008-2009 betrokken geweest bij alle onderzoeken die plaatsvonden rond de huisvesting van de rechtbank. Uiteindelijk kwam daaruit naar voren dat van de zes gebouwen (A tot en met F) A tot en met D van het Parnassuscomplex van onvoldoende kwaliteit, ook op het gebied van inrichting, waren om aan de hedendaagse eisen te voldoen die aan een dergelijk gebouw worden gesteld. Zo waren er bijvoorbeeld zittingszalen die qua inrichting geen ruimte boden voor digitalisering. Volgens de oorspronkelijke architect kwam de onvoldoende kwaliteit omdat er in de jaren ’80 zoveel is bezuinigd dat bij de realisatie de kwaliteit van zaken als klimaatvoorziening, gebouwuitrusting en gebouwsystemen er ernstig onder heeft geleden.”

Verloren functies

Nadat de beslissing tot nieuwbouw was genomen, werd geïnventariseerd wat er bij de sloop van de gebouwen A tot en met D verloren ging aan functies, wat niet verplaatsbaar was naar kantoorpanden in de omgeving en waarvoor dus bij het ontwerpproces voor een tijdelijke voorziening een oplossing moest worden gevonden. Tuijp: “Je hebt het dan met name over alles wat aan zittingen gerelateerd is. Het primaire proces. Daarbij ging het om een aantal cellen (niet om alle, want een deel zit onder de gebouwen E en F), om een groot aantal zittingszalen en om het gebied voor de rechter-commissaris. Verder ging het om het bedrijfsrestaurant en om een deel van de parkeerplaatsen.”

Na de inventarisatie bekeek Fokke van Dijk, architect bij het Rijksvastgoedbedrijf, wat er programmatisch kon worden gerealiseerd op het plot van gebouw G. Hij vertaalde dat vervolgens in eerst een opzetkader met concepttekeningen en daarna in een ambitiedocument met meer gedetailleerde beschrijvingen. Het leidde tot een DBMR-aanbesteding (Design, Build, Maintain en Remove), die werd gewonnen door het consortium dpcp, een projectcombinatie van Du Prie bouw & ontwikkeling en cepezedprojects, de ontwikkeltak van architectenbureau cepezed. Ronald Schleurholts, architect-directeur bij architectenbureau cepezed. “Kern van de uitvraag was dat er een tijdelijke rechtbank voor vijf jaar moest worden neergezet, zodat de rechtbank kon blijven functioneren terwijl op de achtergrond de voortgang van de permanente nieuwbouw doorging.”

Strikte eisen

Aan het tijdelijke pand werd een aantal strikte eisen gesteld, ondermeer op het gebied van veiligheid. Tuijp: “Een voorbeeld daarvan is de entree, met een strikte scheiding tussen de receptie achter kogelvrij glas en de achterliggende cellen.” Schleurholts noemt nog een voorbeeld: de gevel. “Uitgangspunt was een oplossing die aan  alle basiseisen voldeed. Bij die geveldelen, waaraan extra geluids- of veiligheidseisen werden gesteld, hebben we gekozen voor voorzetpanelen.” Bij digitalisering speelde nog iets anders, een snel veranderende wereld. Tuijp: “Daarom is gekozen voor computervloeren, omdat die verwijderbaar zijn en eenvoudig aan te passen aan veranderende eisen.” Ook waren er eisen in verband met de complexe logistiek in een rechtbank. Tuijp: “In het gebouw heb je een logistiek voor het publiek, voor de rechter en voor ondersteuning van de rechter en voor de gedetineerden. Alledrie van elkaar gescheiden. De parketpolitie moet vanuit het cellengebied met een aparte gescheiden looproute naar de zittingszalen kunnen. Daarnaast moet ook de entree van de gedetineerdenbusjes apart en niet zichtbaar voor het publiek geregeld zijn. Daarom is er een onderdoorgang aan de achterzijde van het gebouw met een speedgate.”

Schleurholts vult aan: “Juist vanwege die eisen aan de logistiek hebben we gekozen voor een scheiding tussen cascostructuur en inbouwpakket die heel specifiek is afgestemd op de verschillende eisen in het gebouw. Dit betekende wel dat we door die specifieke eisen voor het afbouwpakket wat minder ver konden gaan in de keuze voor herbruikbare elementen. Daarvoor waren de oplossingen soms te rechtbankspecifiek. Zo moest er soms in een binnenwand een staalplaat worden opgenomen, die je normaal niet zou gebruiken.”

Representatief

Het gebouw moest niet alleen voldoen aan deze eisen, maar moest ook ‘representatief zijn voor de rechtspraak’. Tuijp: “Het mocht niet de uitstraling hebben van gestapelde containers.” Daarnaast speelde ook de akoestiek een grote rol. Tuijp: “Je wilt dat de zaken die in een rechtbank besproken worden, vertrouwelijk zijn en blijven. Dus zijn er hoge eisen aan de akoestiek in zittingszalen, de geluidsweerstand van de scheidingen en aan de bijbehorende van slagvrij glas voorziene publieke tribunes. Ook in het cellengebied gelden dergelijke eisen zodat er geen overlast vanuit de cellen naar de zittingszalen is.”

Schleurholts noemt nog een aspect, de verlichting. “Die is in een zittingszaal heel specifiek. Zo is boven de rechters een strook verlichting gemaakt, die heel egaal de rechters aanlicht. Dat is bewust gedaan, omdat je wilt dat de rechtspraak objectief overkomt en dat je geen extreme gezichtsexpressies ziet. Daarmee ondersteunt het gebouw en het lichtontwerp ook het imago en functioneren van de rechtspraak.”
Om diezelfde reden zijn er in de zittingszaal ook bewust twee deuren in de achterwand, een voor de rechters en een voor het Openbaar Ministerie. 

Ophoudruimtes

De 30 cellen voor beperkt gebruik in de tijdelijke rechtbank zijn zgn. ophoudruimtes die niet bestemd zijn om in te overnachten maar om gedetineerden tijdelijk enkele uren in onder te brengen, in afwachting van hun zaak. De ophoudruimtes zijn als box-in-box, akoestisch van elkaar gescheiden, in de ruimte neergezet. Tuijp: “Er ligt ook een rubberen vloer, zodat als gedetineerden tekeergaan in hun cellen, er geen akoestische overdracht plaatsvindt.” Scheurholts vult aan: “De cellen zijn geprefabriceerd in beton en modulair bij elkaar gezet, de ondervloer is hiertoe weggelaten. Ze zijn erin gehesen en kunnen er na afloop ook gemakkelijk worden uitgetild.” Hetzelfde geldt voor de entreesluis tussen gebouw G en de gebouwen E en F en het vluchttrappenhuis. Scheurholts: “Het zijn losse modules, specifiek ontworpen voor deze locatie, maar tevens demontabel zodat ze elders op een andere positie ten opzichte van het casco kunnen worden hergebruikt, dit zijn immers zeer locatieafhankelijke aspecten.” 

Om ervoor te zorgen dat de ‘winkel’ tijdens de nieuwbouw open bleef, werd eerst in oktober 2016 de tijdelijke rechtbank geopend. Pas daarna werd gestart met de sloop van de gebouwen A tot en met D. Voorafgaand daaraan vond een hele herhuisvestingsoperatie plaats. Tuijp: “Het OM ging naar IJdock en een deel van onze collega’s  (een paar honderd fte) ging naar het Bruggebouw, verderop aan de Parnassusweg, en het Strawinskyhuis aan de Prinses Irenestraat. Slechts een klein deel, de rechter-commissarissen en de ondersteuning daarvan (in totaal zo’n 35 fte), kwam uiteindelijk in gebouw G terecht. Parkeren – we raakten met de sloop zo’n 200 van de 245 parkeerplaatsen kwijt – werd opgelost door een tijdelijke drielaagse parkeergarage met 180 plaatsen neer te zetten.”

Als de permanente huisvesting gereed is op de plek waar ooit de gebouwen A tot en met D stonden, naar verwachting eind 2020, begin 2021, worden de gebouwen E, F en G afgestoten. Tuijp: “E en F worden door het Rijksvastgoedbedrijf, de beheerder van de rechtspraak, afgestoten vermoedelijk naar de gemeente Amsterdam. Ook G wordt afgestoten, alsmede het Strawinskyhuis en het Bruggebouw, twee gebouwen waar het RVB tijdelijk meer vierkante meters heeft gehuurd in verband met de nieuwbouw en de herhuisvesting. De definitieve nieuwbouw vervangt dit alles. ” De definitieve nieuwbouw kent wel een overmaat, die het voor ketenpartners – zoals bijvoorbeeld de Raad voor de Kinderbescherming, de Reclassering en voorzieningen voor advocatuur en tolken – in de toekomst mogelijk maakt om van het pand gebruik te maken.

Hergebruik en waardebehoud

Belangrijk bij de uitvraag van het ontwerp van de tijdelijke rechtbank waren hergebruik en de waarde van het pand. Schleurholts: “Je ziet dat ook terug in de vorm van de opdracht: Design Build Maintain en Remove of zoals wij zeiden Rebuild. Eigenlijk zit in de uitvraag circulariteit besloten, hoewel het begrip nergens wordt genoemd. Interessant was ook dat tegelijkertijd het gebouw wel een rechtbank moest zijn. Het mocht dus, ondanks het tijdelijk karakter, niet een armoedige, chaotische of adhoc uitstraling hebben. Want het imago van de rechtspraak – nauwkeurig, menselijk, objectief – moest geborgd blijven. Dus moesten we als dpcp zoeken naar de balans tussen tijdelijkheid en imago.”

Daarnaast wilde de rijksoverheid dat er geen verspilling plaatsvond.  Schleurholts: “Het pand moest herbruikbaar zijn en op een verantwoorde manier de tijdelijkheid laten zien. Daarom moesten we bij de casco en de gevel – 70-80 procent van het bouw- c.q. materiaalvolume – aantonen dat we het uit een hernieuwbare bron haalden of dat we het gingen hergebruiken. Zodat we de levensduur van de materialen maximaal zouden benutten. Dat alles moesten we doen via een methodiek, ontwikkeld door de TU Delft: de Grondstof Keten Informatie methodiek (GKI) die de herkomst van de toegepaste materialen in kaart brengt. De sleutel hierin is bovendien dat wij als dpcp na vijf jaar weer eigenaar zijn van het gebouw en zelf de verantwoording hebben en zorgdragen voor de demontage en hermontage op een nieuwe locatie.”

Schleurholts noemt het voorbeeld van de kanaalplaat, een product met een levensduur van 50 jaar. “Je gaat het vijf jaar gebruiken, maar wat doe je met de andere 43-45 jaar? Daarbij waren er in feite twee opties: de eerste is dat je een tweedehands plaat uit een gebouw pakt dat toch gesloopt wordt en die maken we demontabel zodat we het over vijf jaar weer kunnen demonteren. Die optie lukte niet omdat zulke platen vaak al zijn vastgestort in het werk en moeilijk heelhuids te verwijderen zijn. Daarom hebben we met de contructeur IMD gekozen voor de tweede optie: nieuwe kanaalplaten, die demontabel zijn gemaakt door er een kop aan te storten met draadeinden en doken. Deze zijn vervolgens gebout aan de modulaire staalconstructie.” De kanaalplaat is illustratief voor het gebouw, aldus Schleurholts. “Het gebouw is een bouwpakket, dat droog geassembleerd is op locatie. Dat betekent dat het gebouw ook gedeassembleerd kan worden en op een andere plaats in elkaar geschroefd kan worden.”

Bouwfilosofie

En daarmee past het precies in de bouwfilosofie van cepezed: “Vanaf de oprichting van ons bureau in de jaren ’70 was ons uitgangspunt om gebouwen te maken uit lichtgewicht geprefabriceerde onderdelen die in de fabriek worden gemaakt en geassembleerd op de locatie. De methodiek zit kortom in onze genen. Vandaar dat we hebben ingeschreven op de tijdelijke rechtbank.” Bij de tijdelijke rechtbank ging dat echter nog een stap verder. “Met het demontabel maken, zetten we in op de circulariteit en plaatsen we onderdelen uit ons ‘bouwpakket’ weer terug in de keten.”

En daarna is nog een stap mogelijk: “Zoom in op de producten uit het bouwpakket, kijk naar herkomst en demontabiliteit; maar bovenal: begin ermee om de hoeveelheid materiaal te minimaliseren. Dat scheelt niet alleen in materiaalvolume, maar ook in transport en hermontage.” Schleurholts noemt een praktijkvoorbeeld van dat laatste. “In de tenderfase hadden we bedacht om gerecyclede kunststof rijplaten van drie centimeter dik als buitenbeplating van de gevel te hanteren in een modulaire schuifbevestiging. In de praktijk werkte het niet. Het buikte uit, was daarmee moeilijk te monteren en zag er dan ook niet meer uit. Vervolgens hebben we besloten gaasdoek tegen de gevel te spannen. Dat betekende een veel grotere materiaalbesparing- van 30 millimeter doek naar circa. 1 millimeter open gaasdoek. Het heeft een ongekend strak beeld tot gevolg dat je bovendien na gebruik kunt oprollen en elders kan hergebruiken. We hebben deze techniek ook meteen als balustrades toegepast in het gebouw.”

Fotografie: Jannes Linders en cepezed | Léon van Woerkom